Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
10-6961 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plaatsing in de functie van beleidsadviseur. Op zichzelf is de appellante opgedragen functie te beschouwen als gelijkwaardig. Gebleken is dat wezenlijke delen van de taken van appellante in haar vorige functie binnen de provincie zijn gehandhaafd. Vanwege gedeputeerde staten is in dit verband gesproken van taken die twee maal acht uur per week bestrijken. Onder deze omstandigheden is de Raad in het licht van het aanzienlijke gewicht dat aan de toezegging van 2000 toekomt, van oordeel dat niet valt te rechtvaardigen dat gedeputeerde staten laatstbedoelde taken niet bij appellante hebben gelaten. Gedeputeerde staten hebben bij afweging van de betrokken belangen en mede gelet op het rechtszekerheidsbeginsel niet in redelijkheid tot hun bestreden besluit kunnen komen zodat dit besluit moet worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6961 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 8 november 2010, 10/2603 en 10/2725 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht (gedeputeerde staten)

Datum uitspraak: 8 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 2 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.A.D. Bloemsma, advocaat. Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.A. Hakkert, drs. R.L.W.M.R. Cortjens en drs. M.W.M. van Deelen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In juni 2000 hebben gedeputeerde staten appellante met ingang van 1 september 2000 geplaatst in de functie van [naam functie]. Daarbij is vastgelegd dat deze functie persoonsgebonden is en door appellante zal worden vervuld zolang zij een dienstverband heeft bij de provincie Utrecht.

1.2. Bij een reorganisatie in 2005 is deze functie ongewijzigd gehandhaafd. Wel is de naam van de functie gewijzigd in adviseur middelen A IV.

1.3. Bij besluit van 20 juli 2009 hebben gedeputeerde staten appellante in het kader van een (andere) reorganisatie de status van potentieel herplaatsingskandidaat toegekend. Bij beslissing op bezwaar van 24 november 2009 hebben gedeputeerde staten dit besluit gehandhaafd. Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellante beroep bij de rechtbank ingesteld.

Bij besluit van 15 februari 2010 hebben gedeputeerde staten appellante als herplaatsingskandidaat aangewezen met ingang van de datum dat het uitbesteden van loopbaanadvies aan externe personen of instanties daadwerkelijk zijn beslag krijgt.

1.4. Ten aanzien van de besluiten van 24 november 2009 en 15 februari 2010 heeft appellante de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 29 april 2010 heeft deze rechter het besluit van 24 november 2009 vernietigd en het besluit van 20 juli 2009 herroepen. Voorts heeft deze rechter het besluit van 15 februari 2010 geschorst tot zes weken na bekendmaking van de op bezwaar te nemen beslissing. De voorzieningenrechter heeft in dit verband overwogen dat gedeputeerde staten appellante in juni 2000 een harde toezegging hebben gedaan waaruit voortvloeit dat gedeputeerde staten gehouden zijn appellante, als zij niet in de speciaal voor haar gemaakte functie kan blijven werken, te plaatsen in een aan haar functie gelijkwaardige functie dan wel gehouden zijn er op andere wijze zorg voor te dragen dat appellante in een gelijkwaardige positie zal blijven verkeren. Daaraan is toegevoegd dat de toezegging gedeputeerde staten niet belemmert in hun bevoegdheid wijziging te brengen in het functiegebouw van hun organisatie, daaronder begrepen het opheffen van de functie van appellante. De toezegging brengt wel mee dat gedeputeerde staten al bij de aanwijzing van appellante als potentieel herplaatsingskandidaat met concrete voorstellen behoorden te komen om aan de toezegging tegemoet te komen.

1.5. Gedeputeerde staten hebben vervolgens bij besluit van 7 juni 2010 (bestreden besluit) het (geschorste) besluit van 15 februari 2010 ongedaan gemaakt en appellante met ingang van 1 augustus 2010 geplaatst in de functie van beleidsadviseur bij het team [naam team]. Tegen dit besluit heeft appellante (rechtstreeks) beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de functie van beleidsadviseur waarin appellante is geplaatst, een functie is die gelijkwaardig is aan die van [naam functie]. Beide functies vallen onder hetzelfde generieke functieprofiel en hebben hetzelfde indelingsniveau en dezelfde functieschaal. Voorts is van belang geacht dat de functie van beleidsadviseur als taakgebied loopbaanbeleid heeft. Appellante zal beleidsmatige taken met betrekking tot loopbaanontwikkeling en -beleid gaan uitvoeren.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

2.1. Voorop moet worden gesteld dat gedeputeerde staten zich mede uit een oogpunt van rechtszekerheid in beginsel dienen te houden aan de onder 1.1 bedoelde toezegging dat appellante gedurende haar hele dienstverband bij de provincie Utrecht vanaf 1 september 2000 de functie van [naam functie] zal (mogen) vervullen. Dit behoeft er echter niet aan in de weg te staan dat appellante geheel of gedeeltelijk andere taken krijgt opgedragen als daarvoor (min of meer) zwaarwegende argumenten worden aangevoerd, bijvoorbeeld ontleend aan een reorganisatie. Die nieuwe taken dienen dan wel zo veel mogelijk gelijkwaardig te zijn aan die van de eerder vervulde functie terwijl onder omstandigheden ook anderszins (bijvoorbeeld financiële) compensatie moet worden geboden.

2.2. Uit de gedingstukken blijkt dat gedeputeerde staten er in het kader van de reorganisatie welbewust voor hebben gekozen om het geven van loopbaanadviezen en het bieden van loopbaanbegeleiding uit te besteden aan externe personen of instanties. Daarbij is in aanmerking genomen dat medewerkers gebaat zijn bij een breed netwerk van loopbaanadviseurs. Zo kan meer diversiteit in de dienstverlening worden geboden en ook flexibeler worden ingespeeld op (de omvang van) de vraag. De aanwezigheid van maar één interne adviseur (zijnde appellante) levert ook afbreukrisico op. De regiefunctie van de loopbaanadvisering hebben gedeputeerde staten evenwel in eigen huis willen houden. Daarom zijn delen van de (voormalige) taken van appellante bij de provincie gehandhaafd maar volgens gedeputeerde staten zijn deze van ondergeschikte betekenis.

2.3. De Raad is van oordeel dat gedeputeerde staten aan de reorganisatie en het daaraan verbonden wegvallen van taken van appellante, gelet ook op de daarvoor aangedragen argumenten, gevolgen mochten verbinden voor de functie van appellante. Op zichzelf is de appellante opgedragen functie ook te beschouwen als gelijkwaardig in meervermelde zin. Ter zitting is evenwel gebleken dat, zoals appellante steeds met nadruk heeft gesteld, wezenlijke delen van de taken van appellante in haar vorige functie binnen de provincie zijn gehandhaafd. Vanwege gedeputeerde staten is in dit verband gesproken van taken die twee maal acht uur per week bestrijken.

Onder deze omstandigheden is de Raad in het licht van het aanzienlijke gewicht dat aan de toezegging van 2000 toekomt, van oordeel dat niet valt te rechtvaardigen dat gedeputeerde staten laatstbedoelde taken niet bij appellante hebben gelaten. Deze taken hadden dan aangevuld kunnen worden met andere, zo veel mogelijk gelijkwaardige taken zoals die van de functie van beleidsadviseur. Plaatsing in deze enkele functie, zoals bij het bestreden besluit is gebeurd, is bij een zo grote hoeveelheid taken die van de oude functie zijn overgebleven onjuist. Overigens kan de Raad het door appellante nader toegezonden mobiliteitsbeleid van de provincie Utrecht hierbij niet betrekken nu dit pas in januari 2012 op schrift is gesteld en ook nog niet is vastgesteld, zodat daarmee bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening kon worden gehouden.

2.4. Dit leidt tot het oordeel dat gedeputeerde staten bij afweging van de betrokken belangen en mede gelet op het rechtszekerheidsbeginsel niet in redelijkheid tot hun bestreden besluit hebben kunnen komen zodat dit besluit moet worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven.

3. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedeputeerde staten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 874,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 7 juni 2010;

Veroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.748,-;

Bepaalt dat gedeputeerde staten aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R. Schuurman.

HD