Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8295

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
11-501 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Plichtsverzuim bestaande uit uiterst ongepast, onprofessioneel gedrag. Appellant heeft in zijn functie persoonlijke contacten heeft gehad met twee cliënten, hij heeft deze cliënten aangeraakt en pogingen ondernomen tot verder fysiek contact en omgang, hij heeft zich bemoeid met de uitkering van een van hen en heeft gedreigd die stop te (laten) zetten. Verder heeft hij regels of voorschriften niet nageleefd. De opgelegde straf is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerectificeerde uitspraak 11/501 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2010, 09/4980 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 8 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bindels, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. Boes-Kouwenoord.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij het jongerenloket van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam. Bij besluit van 22 mei 2007 heeft het college appellant de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd wegens plichtsverzuim. Het ging daarbij om het niet professioneel handelen door zich min of meer als hulpverlener te gedragen, het bespreken van DWI-zaken met zijn echtgenote en het maken van seksueel getinte opmerkingen tegenover een cliënte dan wel in ieder geval het met haar spreken over seks. Het college heeft aan het slot van het besluit te kennen gegeven het gewenst te achten dat de leidinggevende van appellant ervoor zorg draagt dat appellant gecoacht wordt op het in de praktijk consequent toepassen van de grenzen van zijn werkzaamheden zoals DWI dat voor ogen staat.

1.2. Naar aanleiding van een tweetal klachten van cliënten over appellant heeft het bureau Integriteit van de Interne Accountantsdienst van de DWI een onderzoek ingesteld. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het college appellant op 24 oktober 2008 verlof met behoud van bezoldiging verleend in verband met het voornemen om appellant de straf van ontslag als bedoeld in artikel 13.6 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam op te leggen. Bij besluit van 11 februari 2009 heeft het college appellant op zijn verzoek ontslag verleend met ingang van 1 juni 2009.

1.3. Bij besluit van 7 april 2009 heeft het college het besluit van 11 februari 2009 ingetrokken en appellant primair de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd, subsidiair het besluit appellant ontslag op eigen verzoek te verlenen gehandhaafd en meer subsidiair appellant ontslag op grond van dienstbelang verleend. Bij dit besluit is het college afgeweken van het advies van het gemeentelijk Bureau Integriteit over het voornemen tot strafontslag, voor zover dat advies inhield dat de straf van voorwaardelijk ontslag diende te worden opgelegd omdat de eerder noodzakelijk geachte begeleiding niet of onvoldoende had plaatsgevonden.

1.4. Bij besluit van 17 september 2009 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 april 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan het ontslag op de primaire grondslag in stand blijven.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant wordt onder meer verweten dat hij zich op uiterst ongepaste, onprofessionele en onzorgvuldige wijze heeft gedragen, dat hij in zijn functie persoonlijke contacten heeft gehad met twee cliënten, dat hij deze cliënten heeft aangeraakt en pogingen heeft ondernomen tot verder fysiek contact en omgang, dat hij zich heeft bemoeid met de uitkering van een van hen en heeft gedreigd die stop te (laten) zetten en dat hij regels of voorschriften niet heeft nageleefd. Als concrete gedragingen van appellant zijn onder meer vermeld het afspreken met een cliënte van het jongerenloket op een metrostation, waarbij hij zijn hand op de hand van deze cliënte heeft gelegd, een arm om haar heen heeft geslagen en haar een zoen op de wang heeft gegeven, het tegen de wens van een cliënte met haar werkgever praten over haar ziekte, het ophalen van een OV-kaart voor een cliënte zonder haar toestemming, het verschillende malen laten meerijden van cliënten in de dienstauto naar inlenende bedrijven terwijl appellant wist dat dit niet was toegelaten en het tijdens een autorit aanraken van een been van een cliënte.

3.2. In hoger beroep heeft appellant betwist dat sprake is van plichtsverzuim. Hij ontkent niet dat de onder 3.1 genoemde gedragingen hebben plaatsgevonden, maar ziet deze gedragingen niet als plichtsverzuim. Appellant erkent dat hij (wellicht te) amicaal is omgegaan met cliënten, maar stelt dat die contacten in een zakelijke context plaatsvonden en dat zijn gedrag voortkomt uit een vergaande persoonlijke betrokkenheid bij zijn werk als [naam functie] en het intensieve contact dat hij in die functie heeft met cliënten om het re-integratietraject te laten slagen. De aanrakingen van cliënten hadden volgens appellant geen seksuele lading.

3.3. Het college en de rechtbank hebben de hiervoor vermelde gedragingen van appellant terecht aangemerkt als plichtsverzuim, zodat het college bevoegd was hem een disciplinaire straf op te leggen. Door deze gedragingen heeft appellant bij de uitoefening van zijn functie niet de professionele afstand tot cliënten bewaard die van een [naam functie] mag worden verwacht en in strijd gehandeld met hetgeen een goed ambtenaar betaamt, mede in aanmerking genomen dat het gaat om jonge uitkeringsgerechtigden die een afhankelijke positie hebben ten opzichte van de DWI en haar medewerkers. Dat appellant handelde vanuit (emotionele) betrokkenheid en de wens om de betrokken cliënten te helpen en dat hij met zijn aanrakingen geen seksuele bedoelingen zou hebben gehad doet hieraan geen afbreuk, aangezien de gedragingen van appellant als zodanig en niet mede zijn motieven hebben geleid tot de kwalificatie plichtsverzuim.

3.4. De opgelegde straf is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Op de eerste plaats was appellant gelet op de eerdere berisping wegens soortgelijke feiten een gewaarschuwd man. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college in voldoende mate heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van het advies van het Bureau Integriteit om de straf van voorwaardelijk ontslag op te leggen. Het college heeft er onder meer op gewezen dat appellant zelf en niemand anders verantwoordelijk is voor zijn gedrag en dat het feit dat het coachen door zijn leidinggevende beperkt is geweest tot twee gesprekken en deze gesprekken niet schriftelijk zijn vastgelegd dat niet anders maakt. De Raad kan het college hierin volgen.

3.5. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R. Schuurman.

IJ