Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
10-1720 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Verlaging bijstand gedurende een maand met 40%. Schending inlichtingenverplichting door van inkomsten via kasstortingen geen opgave te doen. Geen sprake van leningen omdat een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling ontbreekt. Dat het in de cultuur van woonwagenbewoners gebruikelijk is dat leningen slechts mondeling worden afgesloten en gelden contant worden verstrekt, zodat eerst achteraf verklaringen op schrift kunnen worden opgesteld, dient voor risico van appellant te komen. Redelijkerwijs duidelijk dat inkomen van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Brutering terugvordering. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden. Daarin ligt ook reeds een verwijtbaar handelen besloten. Gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB, diende het college aan appellant daarom een maatregel op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/61

Uitspraak

10/1720 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 januari 2010, 09/843 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (college)

Datum uitspraak: 7 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.R. Ali, advocaat, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn ingediend door mr. H.L. van Toorenburg, en kantoorgenoot van mr. Ali.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 januari 2012, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn partner [naam partner] ontvingen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Tijdens een handhavingsonderzoek is aan het licht gekomen dat er op de Postbankrekening nummer [nr.], ten name van [partner ], in de periode van januari 2007 tot en met januari 2008 elf kasstortingen hebben plaatsgevonden tot een totaalbedrag van € 2.755,--. Volgens het rapport handhavingsonderzoek van 18 juni 2008 heeft appellant in dit verband verklaard dat het ten dele gaat om geld dat geleend is van kennissen.

1.2. Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college de bijstand van appellant en [partner ] met ingang van 1 januari 2007 herzien en de kosten van de te veel betaalde bijstand over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 (€ 2.921,25 bruto), en over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 januari 2008 (€ 995,-- netto), van appellant en [partner ] teruggevorderd. Tevens heeft het college de bijstand gedurende een maand verlaagd met 40% van de voor appellant en [partner ] geldende bijstandsnorm. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de kasstortingen als inkomsten moeten worden aangemerkt, dat deze moeten worden toegerekend aan de kalendermaanden waarin ze ontvangen zijn en dat appellant en [partner ], in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting, van die inkomsten via kasstortingen geen opgave hebben gedaan.

1.3. Bij besluit van 17 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juli 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van het college met betrekking tot de intrekking en de terugvordering onderschreven. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de maatregel ten onrechte op de Verordening afstemming bijstand is gebaseerd. Bij de gedraging van appellant past, uitgaande van de juiste, per 1 oktober 2007 van kracht zijnde Inkomensverordening Wet Werk en Bijstand Gemeente Geldrop-Mierlo 2007, een verlaging met 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand, aldus de rechtbank. Met inachtneming van het beginsel dat degene die beroep instelt niet in een nadeliger positie dient te komen dan vóór het instellen van dit beroep, heeft de rechtbank de verlaging met 40% gedurende een maand gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te noemen gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad stelt vast dat ter beantwoording voorligt de vraag of de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Naar aanleiding van hetgeen appellant in het beroepschrift naar voren heeft gebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Naar de mening van appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de kasstortingen als inkomen in de zin van de WWB moeten worden beschouwd, omdat er geen sprake was van regelmatige periodieke kasstortingen. Volgens appellant moeten de stortingen worden gezien als leningen. De rechtbank is in dit opzicht ten onrechte voorbijgegaan aan de uitspraak van de Raad van 7 maart 2006, LJN AV4703 en JWWB 2006/124, aldus appellant, die daarbij tevens verwijst naar de door hem overgelegde verklaringen. Uit die verklaringen blijkt volgens appellant dat ondanks het ontbreken van een duidelijke termijn voor terugbetaling, er toch sprake is van een reële terugbetalingsverplichting van appellant.

4.2. Het beroep van appellant op de onder 4.1 genoemde uitspraak kan niet tot het door hem gewenste gevolg leiden. Die uitspraak heeft immers betrekking op een geheel andere situatie dan de onderhavige. Uit die uitspraak blijkt dat de betrokkenen reeds vóór de aanvang van de uitkering een schuldbekentenis hadden ondertekend, dat de hoofdsom te allen tijde opeisbaar was, dat van het begin af aan rente was verschuldigd en betaald, dat er zakelijke zekerheidstelling voor de terugbetaling van de geldlening had plaatsgevonden en dat er reeds een bedrag op de hoofdsom was afgelost.

4.3. Volgens de door appellant overgelegde verklaring van [getuige 1] van 6 juni 2008 gaat het om een lening van € 400,-- in januari 2007, van € 675,-- in januari 2008 en niet nader genoemde leningen van kleine bedragen. Over rente wordt niet gesproken en over terugbetaling zijn geen afspraken gemaakt. Dit komt wel als appellant en [partner ] zelf weer geld over hebben, zo blijkt uit die verklaringen. In de twee andere overgelegde verklaringen van [getuige 2] van 10 juni 2008 en van [getuige3] van 12 juni 2008 worden geen bedragen en geen tijdstippen genoemd. Terugbetaling vindt plaats wanneer het appellant en [partner ] uitkomt, aldus die verklaringen.

4.4. Het college en de rechtbank hebben die drie verklaringen terecht niet van betekenis geacht, reeds omdat daarin een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling ontbreekt. Voorts is van belang dat er in die verklaringen slechts twee concrete bedragen zijn genoemd en dat die bedragen samen nog niet de helft van het totale bedrag van de kasstortingen vormen. De door appellant genoemde omstandigheid dat het in de cultuur woonwagenbewoners gebruikelijk is dat leningen slechts mondeling worden afgesloten en gelden contant worden verstrekt, zodat eerst achteraf verklaringen op schrift kunnen worden opgesteld, dient voor risico van appellant te komen.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat de kasstortingen terecht niet als leningen zijn aangemerkt. Nu er binnen een periode van dertien maanden in zeven kalendermaanden elf kasstortingen hebben plaatsgevonden, hebben die stortingen onmiskenbaar een periodiek karakter. Anders dan appellant nog heeft aangevoerd, kunnen deze stortingen niet als vermogensbestanddelen worden aangemerkt. De kasstortingen dienen als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB te worden aangemerkt.

4.6. Het moet appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat dit inkomen van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Nu appellant hiervan geen opgave heeft gedaan, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden en dientengevolge in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 januari 2008 te veel aan bijstand ontvangen.

4.7. De grond van appellant gericht tegen de brutering van de terugvordering, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 november 2006, LJN AZ3437 en JWWB 2007/41, slaagt evenmin. De uitspraak waarnaar appellant verwijst ziet namelijk op een geval waarin de betrokkene geen verwijt kon worden gemaakt van het ontstaan van de vordering, omdat de betrokkene de inkomsten tijdig op de daarvoor bestemde wijze aan het college kenbaar had gemaakt. Van schending van de inlichtingenverplichting was, anders dan in het geval van appellant, dus geen sprake.

4.8. Ten slotte heeft appellant zich niet kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank inzake de opgelegde maatregel. Zoals onder 4.6 is vastgesteld, heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Daarin ligt ook reeds een verwijtbaar handelen besloten. Gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB, diende het college aan appellant daarom een maatregel op te leggen.

4.9. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 20, aanhef en ten tweede, van de verordening in zijn geval niet van toepassing is. Volgens appellant moet deze bepaling cumulatief worden gelezen, zodat deze ziet op een gedraging die de arbeidsinschakeling en het recht op en de hoogte van bijstand samen kan beïnvloeden. Omdat de arbeidsinschakeling van appellant hier niet van belang is, mist die bepaling van de verordening toepassing, zodat de opgelegde maatregel niet in stand kan blijven, aldus appellant. De Raad is van oordeel dat dit standpunt berust op een onjuiste lezing van genoemde bepaling. Deze bepaling ziet op het niet nakomen van de inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB en betreft niet alleen de arbeidsinschakeling, maar ook, zoals in het onderhavige geval, het recht op en de hoogte van de bijstand. Daarbij wordt opgemerkt dat deze bepaling bij de cumulatieve lezing van appellant nagenoeg geen betekenis heeft en dat alleen in deze bepaling van de verordening de schending van de inlichtingenverplichting is opgenomen.

4.10. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand gelaten. Het hoger beroep slaagt dus niet.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

HD