Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
11-426 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing samenloopaanvraag om toekenning van WUIV- of WUBO-uitkering. Geen gelijkstelling met vervolgde. Deugdelijke motivering. Aangezien vast staat dat aan appellant op grond van de Wubo een toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden is toegekend volgt de Raad verweerder in zijn standpunt dat de aanspraken op grond van de Wubo gunstiger zijn dan in het kader van de Wuv. Samenloop van aanspraken op grond van de Wubo en de WUV is niet mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/426 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], Zwitserland (appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 8 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 december 2010, kenmerk BZ01207097 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1934 in het toenmalige Nederlands-Indië, heeft in september 2009 een zogenoemde samenloopaanvraag ingediend om toekenning van onder meer een periodieke uitkering op grond van de Wuv dan wel op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) naar gelang voor hem het gunstigst is. Met betrekking tot de Wubo verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden met nummer 11/2820 WUBO.

1.2. Bij besluit van 31 mei 2010, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder die aanvraag afgewezen op de grond dat geen aanleiding bestaat om appellant - die zelf geen vervolging heeft ondergaan - met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen. In dat verband is overwogen dat de redelijkerwijs aan het overlijden van zijn vader toe te schrijven psychische klachten niet hebben geleid tot een verminderd verdienvermogen. De gebitsklachten kunnen niet als causaal worden aanvaard. Voorzieningen op grond van de Wuv kunnen niet worden toegekend omdat de aanspraken op grond van de Wubo gunstiger zijn. Het ontbreken van een materiële toekenning leidt verweerder tot het oordeel dat appellant niet met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Bij het toepassen van artikel 3, tweede lid, van de Wuv hanteert verweerder het al meermalen door de Raad onderschreven beleid dat geen aanleiding bestaat een betrokkene op grond van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen bij het ontbreken van een materieel belang.

2.2. Verweerder heeft in het geval van appellant, zoals hiervoor al aangegeven, geweigerd van zijn bevoegdheid tot gelijkstelling gebruik te maken. Verweerder heeft hierbij het standpunt ingenomen dat de causale psychische klachten van appellant niet hebben geleid tot beperkingen die wijzen op een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten. De gebitsklachten staan niet redelijkerwijs in verband met het overlijden van de vader en kunnen om die reden niet in de beoordeling worden betrokken, aldus verweerder.

2.3. Blijkens de gedingstukken is het door verweerder ingenomen standpunt in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten op een bij appellant verricht medisch onderzoek door een van deze adviseurs.

2.4. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt. Appellant heeft ook geen gegevens ingediend die tot een ander oordeel moeten leiden.

2.5. Aangezien vast staat dat aan appellant op grond van de Wubo een toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden is toegekend volgt de Raad verweerder in zijn standpunt dat de aanspraken op grond van de Wubo gunstiger zijn dan in het kader van de Wuv. Samenloop van aanspraken op grond van de Wubo en de WUV is niet mogelijk.

2.6. Gezien het voorgaande moet het beroep van appellant ongegrond worden verklaard.

3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2012.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

HD