Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8220

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
11-6228 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een Wet WIA-uitkering. Er bestaat geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel af te wijken dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. De door het Uwv opgestelde FML, aangevuld met de toevoegingen van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, geven de beperkingen van appellante op een juiste manier weer. De door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies moeten als geschikt voor appellante worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6228 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 15 september 2011, 10/974 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 8 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.A. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Mr. Van den Berg is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoerige weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.2. Bij besluit van 15 juni 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat appellante met ingang van 22 mei 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 21 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. In verband met de tegenstrijdige visie over de belastbaarheid van appellante van enerzijds de verzekeringsartsen van het Uwv en anderzijds de behandelend specialist, heeft de rechtbank de deskundige, de psychiater D.H.J. Boeykens, een aantal vragen gesteld over de belastbaarheid van appellante. Deze heeft in een rapportage van 8 juni 2011 aangegeven dat de belastbaarheid zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onder meer aangepast dient te worden ten aanzien van de werktijden, in die zin dat appellante niet ’s nachts en ’s avonds kan werken en niet meer dan ongeveer acht uur per dag. Boeykens acht appellante in staat om de door het Uwv geduide functies te verrichten.

2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de deskundige of aan de zorgvuldigheid waarmee dit tot stand is gekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door het Uwv opgestelde FML, aangevuld met de toevoegingen door Boeykens, de beperkingen van appellante op een juiste manier weergeeft. De uiteindelijk door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies moeten dan ook als geschikt voor eiseres worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kon het Uwv deze functies als uitgangspunt nemen bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek door Boeykens niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden, dat uit rapportages van de behandelend sector kan worden opgemaakt dat zij meer beperkt is dan in de FML is weergegeven en dat er ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat van deze hoofdregel af te wijken.

4.2. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot de aangevallen uitspraak hebben geleid. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpen op haar medische situatie op de datum in geding, zijnde 22 mei 2008.

5. Hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2012.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) H.L. Schoor.

EK