Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
08-2378 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WAO-uitkering. Geen sprake van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van het uitgangspunt af te wijken dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te worden gevolgd. De medische beperkingen van betrokkene tot het verrichten van arbeid zijn, ook na de aanpassing ervan door de bezwaarverzekeringsarts in de FML, niet in overeenstemming met de door de deskundige vermelde beperkingen. Voorts is geen rekening gehouden met als gevolg van een hand/polsbreuk bij einde wachttijd mogelijk in acht te nemen beperkingen. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het Uwv dient de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2378 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 maart 2008, 07/890 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 2 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E.F.A.M. Alsbach-Braam bij brief van 3 september 2009 een medisch rapport ingezonden van mr. drs. J.F.G. Wolthuis.

Appellant heeft hierop gereageerd door inzending van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts K. Corten.

Betrokkene heeft aanvullend een brief van de behandelend anesthesioloog N.M. Grupa ingezonden en een schrijven van zijn huisarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.G.E. Houtbeckers. Betrokkene is verschenen bij zijn gemachtigde mr. R. van Oostrom.

De Raad heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting het onderzoek heropend, omdat dit niet volledig is geweest.

Op verzoek van de Raad heeft dr. J. Patijn, neuroloog/pijnspecialist bij het Universitair Pijncentrum Maastricht, als deskundige bij rapport van 7 april 2011 van verslag en advies gediend omtrent enige bij de Raad gerezen vragen met betrekking tot de gezondheidstoestand van betrokkene en zijn medische beperkingen om arbeid te verrichten.

Bij faxbericht van 13 april 2011 heeft betrokkene de goede ontvangst van het rapport van de deskundige Patijn bevestigd. Tevens is hierbij schadevergoeding gevorderd wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Appellant heeft bij brief van 28 april 2011 een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Corten op het rapport van de deskundige Patijn ingezonden en bij brief van 9 mei 2011 een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris.

De deskundige Patijn heeft bij aanvullend rapport van 11 november 2011 gereageerd op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Corten. Daarop heeft het Uwv een rapport van 21 november 2011 van deze bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 20 januari 2012. Appellant is met schriftelijke kennisgeving niet verschenen. Betrokkene is verschenen als ter zitting van 16 september 2009.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is op 15 november 1999 wegens rugklachten uitgevallen voor zijn werk van monteur/schadehersteller/taxichauffeur. In aansluiting op de wettelijke wachttijd van destijds 52 weken heeft appellant betrokkene niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Nadien is betrokkene herplaatst bij zijn werkgever en is hij werkzaam geweest als buschauffeur.

1.2. Appellant heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene herbeoordeeld naar aanleiding van zijn melding dat hij per 20 juni 2005 toegenomen arbeidsongeschikt is geworden. Bij op bezwaar genomen besluit van 11 mei 2007 (bestreden besluit) heeft appellant zijn besluit van 7 november 2006 gehandhaafd dat betrokkene ter zake van deze melding na ommekomst van de wettelijk verkorte wachttijd van vier weken geen recht heeft op uitkering ingevolge de WAO, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid nog immer minder dan 15% bedraagt.

2. In beroep heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de van de behandelende artsen afwijkende mening ten aanzien van de medische beperkingen van betrokkene leidend zou moeten zijn, zodat er reden is om aan te nemen dat het bestreden besluit berust op een onvoldoende verzekeringsgeneeskundige grondslag of een onvoldoende beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft daarop bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en appellant opgedragen met inachtneming van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 24 april 2007 uitvoerig heeft beargumenteerd waarom betrokkene in staat was te achten voltijdse werkzaamheden te verrichten binnen het kader van de voor hem geldende Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Voorts heeft appellant gewezen op het rapport van 1 november 2007 van de bezwaarverzekeringsarts, waarin gemotiveerd te kennen wordt gegeven dat het gestelde in het rapport van 10 oktober 2007 van de door betrokkene geraadpleegde verzekeringsarts J.F.G. Wolthuis niet wordt gevolgd.

3.2. Namens betrokkene is in hoger beroep in reactie hierop een rapport van 1 september 2009 van verzekeringsarts Wolthuis ingezonden. Daaraan valt te ontlenen dat naar diens inzicht op preventieve gronden bij betrokkene sprake is van een medische urenbeperking bij het verrichten van arbeid.

3.3. Mede gelet op het verhandelde ter zitting van 16 september 2009 en de uiteenlopende standpunten van medische zijde met betrekking tot de gezondheidssituatie van betrokkene en de voor hem geldende arbeidsbeperkingen, heeft de Raad het geraden geoordeeld zich van verslag en advies te laten dienen door een medisch deskundige en in verband hiermee het onderzoek heropend.

3.4. De door de Raad aangewezen deskundige, de neuroloog/pijnspecialist J. Patijn, is bij rapport van 7 april 2011 tot de conclusie gekomen dat ten tijde in geding (18 juli 2005) bij betrokkene al sprake was van een lumbaal discuslijden L3/L4 en een radiculopathie L4 rechts. De deskundige heeft zich niet kunnen verenigen met de in de FML opgenomen beperkingen, omdat die zijn gebaseerd op aspecifieke rugklachten en geen rekening is gehouden met de door hem gestelde diagnoses. In zijn rapport heeft de deskundige vermeld dat de beperkingen van betrokkene voor trillingsbelasting, reiken, buigen, lopen, zitten, staan en afwisseling van houding ernstiger zijn dan zoals deze in de FML zijn weergegeven. Ten aanzien van de vraag of een medische urenbeperking noodzakelijk is heeft de deskundige zich van een oordeel onthouden. Daarbij heeft de deskundige er wel op gewezen dat in het verleden steeds is uitgegaan van aspecifieke rugklachten, dat uitgaande van de door hem gestelde diagnoses nog winst valt te behalen door verdere behandeling en dat het betrokkene niet verweten kan worden dat hij een urenreductie wenst, omdat hij niet op de hoogte was van de oorzaak van zijn klachten.

3.5. In reactie op het door de deskundige uitgebrachte advies heeft bezwaarverzekeringsarts Corten bij rapport van 21 april 2011 gesteld zich niet volledig te kunnen vinden in de diagnostiek van de deskundige. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts, behalve deels ten aanzien van het aspect reiken waartoe de FML op 21 april 2011 is gewijzigd, het niet noodzakelijk geacht de door de deskundige aangegeven beperkingen over te nemen.

3.6. Een en ander is voor de Raad aanleiding geweest dit rapport voor te leggen aan de deskundige Patijn. Deze heeft bij uitvoerig gemotiveerd rapport van 11 november 2011 zijn diagnostische bevindingen en de daaruit voor betrokkene voortvloeiende medische beperkingen gehandhaafd. Ten aanzien van een mogelijke medische urenbeperking heeft de deskundige zich opnieuw van een oordeel onthouden. Daarbij heeft de deskundige er wel op gewezen dat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, dat geen urenbeperking in het geval van betrokkene aan de orde is, niet goed medisch gefundeerd is, omdat als gevolg van onvoldoende lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts de diagnose van een actueel lumbaal discuslijden niet door haar was onderkend.

3.7. De bezwaarverzekeringsarts Corten heeft bij rapport van 21 november 2011 op het aanvullend rapport van de deskundige Patijn gereageerd en de door haar opgestelde aangepaste FML van 21 april 2011 gehandhaafd. Tevens heeft zij herhaald dat voor betrokkene een medische urenbeperking niet noodzakelijk is.

4.1. Het oordeel van de Raad.

4.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

4.3. De Raad stelt vast dat de deskundige Patijn in zijn rapport van 7 april 2011 van verdergaande medische beperkingen bij betrokkene uitgaat dan appellant in navolging van de bezwaarverzekeringsarts in de door haar op 21 april 2011 aangepaste FML heeft willen aannemen. De deskundige heeft na kritiek van de bezwaarverzekeringsarts op de door hem aangenomen beperkingen deze gemotiveerd gehandhaafd. Te minder reden ziet de Raad om de deskundige niet te volgen, nu deze op voor de Raad overtuigende wijze heeft uiteengezet, dat de medische situatie van betrokkene bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende is onderkend, waardoor ook diens medische beperkingen zijn onderschat.

4.4. Voorts wijst de Raad erop dat de door betrokkene per 20 juni 2005 gedane melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid naast toegenomen rugklachten haar aanleiding vond in een pols/handbreuk op die datum. Aan de van de zijde van het Uwv ter uitvoering van de WAO opgemaakte verzekeringsgeneeskundige rapportages valt niet te ontlenen dat de medische situatie van betrokkene bij einde wachttijd op 18 juli 2005 als gevolg van deze breuk in beeld is gebracht en evenmin welke arbeidsbeperkingen als gevolg van die breuk op die datum bestonden. Bij de verdere oordeelsvorming zal appellant tevens moeten bezien welke gevolgen hieraan, gelet op artikel 43a van de WAO, voor het recht op WAO-uitkering moeten worden verbonden.

4.5. De partijen verdeeld houdende vraag of voor betrokkene ten tijde in geding als gevolg van toegenomen rugklachten een medische urenbeperking dient te gelden beantwoordt de Raad ontkennend. Op dit punt heeft de deskundige, hoewel hem daaromtrent uitdrukkelijk om advies is gevraagd, zich van een expliciet oordeel onthouden. De Raad ontleent aan het rapport geen aanwijzingen dat de noodzaak van een preventieve urenbeperking, zoals door de verzekeringsarts Wolthuis wordt voorgestaan, door de deskundige wordt onderschreven. In zijn rapport merkt de deskundige op dat het betrokkene niet valt te verwijten dat hij op basis van zijn ADL-beperkingen een urenreductie claimt, omdat hij geen inzicht had in de etiologie van zijn klachten. Dit is evenwel onvoldoende om te aanvaarden dat op objectief medische gronden een urenbeperking voor betrokkene was aangewezen. Dit oordeel van de deskundige betreft de rugklachten van betrokkene en laat onverlet dat appellant, zoals in 4.4 is overwogen, alsnog per 18 juli 2005 mogelijk beperkingen als gevolg van de hand/polsbreuk bij de verdere medische oordeelsvorming betrekt.

4.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat de medische beperkingen van betrokkene tot het verrichten van arbeid, ook na de aanpassing ervan door de bezwaarverzekeringsarts in de FML van 21 april 2011, niet in overeenstemming zijn met de door de deskundige Patijn vermelde beperkingen. Voorts is geen rekening gehouden met als gevolg van een hand/polsbreuk per 18 juli 2005 mogelijk in acht te nemen beperkingen.

4.7. De Raad concludeert op basis van de overwegingen 4.2 tot en met 4.6 dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dienaangaande.

4.8. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de Raad voorop, dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een – formele dan wel informele – bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

4.9. In het voorliggende geval leent de aard van de vastgestelde gebreken zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het appellant op te dragen de in de overwegingen 4.3 en 4.4 aangeduide gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt appellant op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit van 11 mei 2007 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en T.L. de Vries en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) J.R. Baas.

KR