Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
10-4573 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Appellante moet in staat worden geacht haar eigen werk te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4573 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juli 2010, 09/7291 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 7 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2012, waar appellante - met bericht van verhindering - niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was volgens haar opgave laatstelijk werkzaam als commercieel directeur bij een uitgeverij voor 24 uur per week. In aansluiting op een periode waarin zij een uitkering ontving op grond van de Wet arbeid en zorg heeft zij zich per 23 mei 2009 ziek gemeld met klachten aan bekken en rug. Bij besluit van 20 juli 2009 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 20 juli 2009 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat zij vanaf die datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid.

1.2. Bij besluit van 15 september 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 juli 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen. Van de zijde van appellante is geen nadere medische informatie in het geding gebracht op grond waar zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd meer beperkt te zijn dan door het Uwv is aangenomen. Als gevolg van haar klachten is zij niet in staat de werkzaamheden in haar functie te verrichten. Appellante heeft verder aangevoerd dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de specifieke belasting van haar werk, dat veel zitten, vergaderen en autorijden meebracht.

3.2. Het Uwv heeft zich in verweer achter het oordeel van de rechtbank gesteld. Bij brief van 13 oktober 2011 heeft het Uwv een rapport van 7 oktober 2011 van de bezwaararbeidsdeskundige ingezonden, met daarin een nadere omschrijving van het eigen werk van appellante. Tevens is ingezonden een rapport van 12 oktober 2011 van de bezwaarverzekeringsarts.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Ook in hoger beroep heeft appellante haar opvatting over haar gezondheidstoestand niet met medische gegevens ondersteunt. Uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen blijkt dat zij een volledig beeld hadden van de problematiek van appellante en bij hun oordeelsvorming de informatie van de behandelend sector hebben betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 14 september 2009 erop gewezen dat de verzekeringsarts en de behandelend sector niet ontkennen dat appellante klachten heeft. Uit de gegevens van zowel de verzekeringsarts als de behandelend sector blijkt dat appellante belemmeringen ervaart in haar dagelijks functioneren. Aangenomen is dat er bij appellante sprake is van beperkingen. Dat zij hierdoor geen zware werkzaamheden zou kunnen verrichten wordt aannemelijk geacht.

4.2. In zijn rapport van 7 oktober 2011 heeft de bezwaararbeidskundige verslag gedaan van het nader onderzoek naar de functie van appellante. Hij heeft mede op grond van de ontvangen stukken van de voormalige werkgever een omschrijving gegeven van de werkzaamheden van appellante en de daarin voorkomende belastende aspecten. Appellante was werkzaam als traffic manager en niet als commercieel directeur. Appellante had geen leidinggevende functie, maar een regelfunctie. Appellante werkte vanuit huis en kwam ongeveer één keer per drie weken op kantoor voor evaluatiebezoek. De Raad gaat uit van de juistheid van deze, door appellante niet betwiste, nadere omschrijving van het eigen werk en de daarin voorkomende belasting.

4.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 12 oktober 2011 geconcludeerd dat deze werkomschrijving van de bezwaararbeidsdeskundige geen aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen. Uitgaande van het gegeven dat het werk voornamelijk vanuit huis werd gedaan, vervalt de discussie over het wel of niet regelmatig autorijden. Nu al eerder is aangegeven dat er geen reden is om op medische gronden te stellen dat appellante geen overwegend zittend werk zou kunnen doen waarbij zij regelmatig kan vertreden, acht de bezwaarverzekeringsarts gelet op de functiebeschrijving van

7 oktober 2011 van de bezwaararbeidsdeskundige, appellante per 20 juli 2009 nog steeds in staat haar eigen werk te verrichten. De Raad onderschrijft deze conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. Haar werk, dat part-time werd verricht, was immers niet zwaar en er was voldoende mogelijkheid tot afwisselen van houding.

4.4. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding om een der partijen te veroordelen tot betaling van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en J.J.T. van den Corput en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2012.

(get.) J. Riphagen.

(get.) L. van Eijndthoven.

EK