Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV8087

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
10-2774 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Er bestaat geen aanleiding van de hoofdregel af te wijken dat een door de Raad ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De deskundige kan zich verenigen met de vastgestelde belastbaarheid van appellant op de datum in geding zoals verwoord in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2774 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 6 april 2010, 09/305 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.E. Nijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. drs. R.H.L. Janssen-Niehof.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. De Raad heeft neuroloog dr. R.J.O. van der Ploeg als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 2 december 2011 een schriftelijk verslag van zijn onderzoek aan de Raad uitgebracht.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een voortzetting van het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sinds mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Appellant heeft klachten aan zijn rug en arm, en suikerziekte. Appellant heeft in september 2002 een CVA doorgemaakt.

1.2. Bij besluit van 23 oktober 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant ingetrokken, onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per deze datum minder dan 15% was.

1.3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 maart 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de diverse rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts in voldoende mate blijkt dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, dat appellant zijn bewering van het tegendeel niet met medische gegevens van een arts heeft onderbouwd en dat er geen grond (meer) is om een urenbeperking vast te stellen.

3. De Raad heeft aanleiding gezien de hiervoor in I genoemde neuroloog Van der Ploeg als deskundige te benoemen. Deze deskundige heeft appellant op 15 oktober 2011 onderzocht. Hieruit zijn geen concrete restverschijnselen van een CVA naar voren gekomen. De neuroloog heeft op grond hiervan geconcludeerd dat de waarschijnlijke CVA geen gevolgen heeft voor de belastbaarheid van appellant. De deskundige kan zich verenigen met de vastgestelde belastbaarheid van appellant op de datum in geding zoals verwoord in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst. Voorts heeft de deskundige aangegeven dat hij appellant op de datum in geding in medisch opzicht in staat acht printplaten samen te stellen, te laden en/of te lossen en medische disposables samen te stellen.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de Raad ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat van deze hoofdregel af te wijken. Het rapport van de deskundige acht de Raad zorgvuldig tot stand gekomen, consistent en naar behoren gemotiveerd. De Raad stelt vast dat van de zijde van appellant geen commentaar op het rapport van Van der Ploeg is gegeven.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn te achten.

5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 volgt het dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.D.F. de Moor.

KR