Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
09-6849 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering. Gezamenlijke huishouding. Niet in geschil is dat appellant en [M.] hun hoofdverblijf hadden in de woning van [M.]. Ook aan het tweede criterium, dat van de wederzijdse zorg, is voldaan. In de situatie van appellant wordt de grens overschreden van hetgeen in een zakelijke relatie gebruikelijk is. Geen schending van het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6849 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 november 2009, 08/1053 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)

Datum uitspraak: 6 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Gerards, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 18 augustus 2010 heeft mr. Gerards de Raad bericht dat zij niet langer optreedt als gemachtigde van appellant.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 24 januari 2012, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.[M.] ([M.]) ontving - voor zover in dit geding van belang - vanaf 1 december 1988 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van het vermoeden dat [M.] misbruik zou maken van het recht op bijstand heeft de sociale recherche Twente een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn foto’s van haar thuissituatie gemaakt en zijn [M.] en appellant door twee sociaal rechercheurs verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 november 2007. Daarin is geconcludeerd dat [M.] en appellant gedurende de periode van 5 juni 1997 tot en met 31 oktober 2007 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van [M.].

1.2. Bij besluit van 9 januari 2008 heeft het college de bijstand van [M.] met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken op de grond dat zij vanaf die datum, zonder daarvan bij het college melding te maken, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant. Bij ditzelfde besluit zijn de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2007 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 121.843,77 van [M.] en appellant (mede) teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 24 juni 2008 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 januari 2008 ongegrond verklaard. Voorts heeft het college het terugvorderingsbedrag naar beneden bijgesteld naar € 115.112,02.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat hij bij [M.] inwoont als kostganger. Voorts doet appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat het college bij een eerdere controle heeft geconstateerd dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 17, van de WWB niet is nagekomen, de kosten van de bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2. Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [M.] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de Algemene bijstandswet en de WWB heeft gevoerd. Op grond van het derde lid van deze artikelen is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun relatie niet van belang.

4.3. Niet in geschil is dat appellant en [M.] vanaf 5 juni 1997 hun hoofdverblijf hadden in de woning van [M.] aan [adres] te Almelo.

4.4. Ook aan het tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, dat van de wederzijdse zorg, is voldaan. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat [M.] heeft verklaard dat zij wast en kookt, dat meestal gezamenlijk wordt gegeten en dat appellant haar telefoon en internetrekening betaalt. Ook betaalt appellant haar € 120,-- per maand aan huur en de helft van de waterrekening. Verder ondersteunt appellant haar wel eens financieel voor de boodschappen en de bingo, regelt [M.] de administratie voor appellant en is zij gemachtigd voor zijn bankrekening. De auto’s, die gedurende de periode in geding op [M.] haar naam hebben gestaan, zijn betaald door appellant en [M.] kon in deze auto’s rijden. Appellant heeft verklaard dat hij de verzekeringen en de belastingen voor deze auto’s heeft betaald. Verder heeft appellant verklaard dat hij de wekelijkse boodschappen samen met [M.] doet, dat deze worden betaald door degene die het beste bij kas zit en dat hij weleens samen met [M.] op vakantie is geweest. Dat sprake was van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangers- of huurrelatie kan de Raad gelet op het voorgaande niet volgen. In de situatie van appellant wordt de grens overschreden van hetgeen in een zakelijke relatie gebruikelijk is.

4.5. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat het college ermee bekend was dat hij bij [M.] inwoonde en dat tijdens een op 12 september 2005 afgelegd huisbezoek, naar aanleiding van een door [M.] op 8 augustus 2005 ingediende aanvraag om bijstand, door twee medewerkers van de gemeente Almelo is geconstateerd dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. De enkele omstandigheid dat bij voornoemd huisbezoek is vastgesteld dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding brengt niet mee dat het college van dat standpunt later niet terug zou mogen komen. Daarbij is van belang dat [M.] zich destijds nadrukkelijk heeft gepresenteerd als alleenstaande, terwijl zij ook toen al een gezamenlijke huishouding voerde met appellant.

4.6. Uit hetgeen is overwogen in 4.3 tot en met 4.5 volgt dat de in 3 verwoorde beroepsgronden geen doel treffen. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2012.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD