Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
10-677 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ANW-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf in de woning van appellante. Wederzijdse zorg. De Raad gaat in het algemeen uit van de juistheid van een tegenover een handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring en hij kent weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring. Gezamenlijk verrichte activiteiten. Er is sprake van een, in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. Het verlies van haar financiële onafhankelijkheid is geen dringende redenen om van intrekking af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/677 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 januari 2010, 09/1982 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 6 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.C.W.G.M. Janssens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2012. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. M.S. Yap, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale Verzekeringsbank, vestiging Breda, heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte nabestaandenuitkering omdat bekend was dat zij een kostganger heeft, genaamd [S.] ([S.]). Op 3 december 2008 hebben twee medewerkers, werkzaam bij de afdeling Fraude & Opsporing, een onaangekondigd huisbezoek gebracht aan het adres van appellante aan [adres]. Daarbij is aan de hand van het met appellante en met [S.] gevoerde gesprek een checklist ingevuld, die door appellante en [S.] is ondertekend.

1.2. Bij besluit van 5 februari 2009 heeft de Svb de aan appellante verleende nabestaandenuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met ingang van 1 september 2006 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij besluit van 17 april 2009 (bestreden besluit I) heeft de Svb, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2009 ongegrond verklaard. Nadien heeft de Svb bij besluit van 5 mei 2009 (bestreden besluit II), voor zover hier van belang, het bezwaar alsnog gegrond verklaard, in die zin dat de datum van intrekking van de nabestaandenuitkering nader is bepaald op 1 september 2007. De reden hiervoor is dat was gebleken dat de jongste zoon van appellante niet, zoals eerder was aangenomen, in augustus 2006 maar pas in augustus 2007 uit huis was gegaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard.

3. Het hoger beroep richt zich op hierna te bespreken gronden tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen bestreden besluit II.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 3, tweede lid van de Anw, bepaalt, voor zover hier van belang, dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. Of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. Vaststaat dat appellante en [S.] ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf in de woning van appellante hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5. De Svb heeft de conclusie dat sprake is van wederzijdse zorg gebaseerd op de feiten en omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, waaronder de gegevens die zijn ingevuld op de checklist. Volgens appellante heeft de Svb ten onrechte uit de checklist geconcludeerd dat aan het zorgcriterium is voldaan. Zij heeft benadrukt dat de checklist niet door haarzelf maar door een van de medewerkers van de Svb is ingevuld en dat er een verkeerde interpretatie is gegeven aan hetgeen zij heeft verklaard. Zo is geconcludeerd dat appellante en [S.] samen op vakantie gaan, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat dit een terugkomend fenomeen is. In werkelijkheid heeft zij slechts eenmalig voor een week vakantie met [S.] in zijn caravan verbleven. Ook is ten onrechte geconcludeerd dat de boodschappen regelmatig gezamenlijk worden aangeschaft, terwijl [S.] haar alleen bij slecht weer wel eens met zijn auto naar de winkel brengt. Toen [S.] aangaf dat hij weleens buiten wat bladeren bijeenveegt is daaruit de conclusie getrokken dat hij de klusjes in huis doet. De klusjes in huis worden echter door de kinderen van appellante verricht. De conclusies die getrokken worden uit de checklist zijn derhalve onjuist en tendentieus. De ondertekening van de checklist is tot stand gekomen onder druk doordat haar en [S.] te verstaan werd gegeven dat als zij niet tekenden dat voor haar gevolgen zou hebben. Verder heeft appellante de manier waarop zij is bejegend tijdens het huisbezoek als zeer onaangenaam en intimiderend ervaren. Op financieel gebied gaat de bijdrage van [S.] niet verder dan hetgeen hij op basis van zijn kostgangerschap dient bij te dragen. De financiën van haar en [S.] zijn gescheiden. De door [S.] aan appellante verstrekte hypothecaire lening was een zakelijke transactie.

4.6. De Raad gaat in het algemeen uit van de juistheid van een tegenover een handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring en kent hij weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring. Of in dit geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op het hiervoor weergegeven uitgangspunt dient te worden gemaakt kan in het midden blijven. Appellante heeft immers ter zitting van de Raad verklaard dat er op zichzelf geen onwaarheden staan in de checklist, maar dat door het weglaten van de nuances verkeerde conclusies zijn getrokken. De Raad komt tot het oordeel dat sprake is van wederzijdse zorg, ook als wordt uitgegaan van de nadien door appellante aangebrachte nuances in haar verklaring en baseert dit op de hierna volgende feiten en omstandigheden.

4.7. Appellante heeft in het verleden een notariële akte laten opstellen waarin de afspraken met [S.] zijn vastgelegd nadat de Svb te kennen had gegeven dat het verstandig zou zijn de kostgangersrelatie te laten vastleggen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de afspraken die in de akte zijn opgenomen overeenstemmen met de feitelijke situatie. In de akte is opgenomen dat [S.] een kamer huurt die is gelegen op de eerste verdieping van de woning van appellante. Volgens de akte heeft hij daarbij recht op het medegebruik van de keuken, de badkamer, het toilet, het portaal en de trap naar de eerste verdieping. [S.] maakt echter gebruik van de gehele woning, behalve de slaapkamer van appellante. Zo kijken appellante en [S.] regelmatig gezamenlijk naar de televisie in de woonkamer. Voorts is in de akte niets opgenomen over het feit dat appellante de maaltijden voor [S.] verzorgt en dat zij gezamenlijk eten. Als huurprijs is in de akte, die is opgemaakt in 1997, een bedrag van ƒ 375,-- opgenomen. Daarbij zouden de kosten van gas, water en elektriciteit afzonderlijk, dus bovenop de huurprijs worden voldaan. De enige via bankafschriften aantoonbare betaling is echter de kamerhuur. Deze bedroeg ten tijde van het huisbezoek in december 2008 € 273,01 per maand. Ter zitting van de rechtbank is bevestigd dat hierin is begrepen de huur, de kosten van gas, water en licht en de kost. Deze prijs is zodanig laag dat deze niet als een reële zakelijke vergoeding kan worden beschouwd voor hetgeen aan onderdak en verzorging wordt geboden, maar moet veeleer worden gekwalificeerd als een bijdrage van [S.] in de kosten van de huishouding. Ook de gezamenlijk verrichte activiteiten, zoals het al genoemde gezamenlijke eten en televisie kijken, de gezamenlijke kerkbezoeken, het gezamenlijk wandelen en fietsen en de gezamenlijke vakantie, ook al was dit maar eenmalig, brengen de Raad tot de conclusie dat sprake is van een, in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. Voormelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, wijzen uit dat appellante en [S.] er blijk van gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.8. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de Svb zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het recht van appellante op een nabestaandenuitkering, vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding, op 31 augustus 2007 eindigde. De Svb was dan ook ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid in verbinding met artikel 34, eerste lid, onder b, van de Anw, gehouden om de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 september 2007 in te trekken. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent het verlies van haar financiële onafhankelijkheid geen dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw om van intrekking af te zien.

4.9. De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en E.J. Govaers en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J.M. Tason Avila.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

ij