Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
10-5203 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die ertoe leiden dat de inrichtingskosten niet uit het inkomen op bijstandsniveau en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Het door het college gevoerde beleid is op consistente wijze is toegepast. De situatie van appellante kan niet worden gelijkgesteld met de doelgroep daklozen die opnieuw een woning betrekken. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geen zeer dringende redenen opleveren die noodzaken tot verlening van bijstand in afwijking van het beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5203 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 augustus 2010, 08/3719 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 6 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Walther, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Walther. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 18 juni 2008 heeft appellante op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) een aanvraag om bijzondere bijstand voor onder meer inrichtingskosten ingediend. Bij besluit van 21 juli 2008, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 november 2008 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten afgewezen. Aan de besluitvorming is, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellante heeft niet aangetoond welke kosten zijn gemaakt. Appellante had voor de inrichtingskosten, die behoren tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, kunnen reserveren. Appellante valt niet onder een van de doelgroepen als genoemd in artikel 17 van de Richtlijnen Bijzondere Bijstand Utrecht (Richtlijnen). Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 49 van de Richtlijnen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

- Zij was niet in staat te reserveren voor de inrichtingskosten. Eind 2005 moest zij plotseling haar woning verlaten, waarna zij van januari 2006 tot mei 2008 bij haar dochter heeft ingewoond. Zij heeft maandelijks € 300,-- aan haar dochter moeten afdragen voor de woonlasten. Zij had ten tijde van belang schulden en kon toen niet op adequate wijze haar financiën regelen.

- Gelet op haar psychische problematiek en haar moeizame persoonlijke en sociale situatie, is zij gelijk te stellen met de in artikel 17 van de Richtlijnen omschreven doelgroep ‘daklozen’ en komt zij op die grond in aanmerking voor bijzondere bijstand. Ook is er aanleiding toepassing te geven aan de in artikel 46 van de Richtlijnen neergelegde hardheidsclausule.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de tekst van artikel 35, eerste lid, van de WWB wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Op basis van de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder de door appellante in bezwaar overgelegde bonnen van diverse bouwmarkten, moet worden vastgesteld dat de inrichtingskosten zijn aangetoond tot een bedrag van ongeveer € 350,--.

4.2. Inrichtingskosten zijn kosten die worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen op bijstandsniveau, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit het inkomen op bijstandsniveau en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

4.3. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich dergelijke bijzondere omstandigheden voordoen. De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten om te oordelen dat het inkomen van appellante te laag was om voor de hier aan de orde zijnde kosten van inrichting te kunnen reserveren. Niet in geschil is immers dat appellante geruime tijd bijstand ontving, ook in de periode waarin zij bij haar dochter inwoonde. Dat appellante, naar zij stelt, aan haar dochter maandelijks een bedrag voor de vaste (woon)lasten moest betalen, doet er niet aan af dat appellante kon beschikken over een inkomen op bijstandsniveau.

4.4. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen - recent nog in zijn uitspraak van 20 december 2011, LJN BV0080 -, is het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte of aflossingsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. Daarmee verband houdende kosten kunnen niet worden afgewenteld op de WWB. De door appellante gestelde omstandigheid dat zij al schulden had toen ze bij haar dochter ging wonen en dat ze niet wist hoe ze het beste kon omgaan met de afbetaling daarvan, zoals in de door appellante overgelegde rapportage van ‘de TussenVoorziening’ van 18 januari 2012 is vermeld, is daarom niet aan te merken als bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin. De omstandigheid dat appellante een traumatische voorgeschiedenis heeft, als gevolg waarvan zij psychische klachten heeft gekregen, levert op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op die eraan in de weg staat dat appellante voor de kosten van woninginrichting heeft kunnen reserveren.

4.5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat de onder 4.1 vermelde kosten van woninginrichting geen uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB, zodat appellante op die grond geen recht heeft op bijzondere bijstand.

4.6. In artikel 17, eerste lid, van de Richtlijnen is bepaald dat de noodzakelijke kosten van inrichting van een woning in aanmerking komen voor bijstandsverlening indien de belanghebbende behoort tot een nader omschreven doelgroep en feitelijk geen goederen en/of middelen bezit om een woning in te richten. De onder c van deze bepaling genoemde doelgroep wordt gevormd door daklozen die opnieuw een woning betrekken. Tot de onder g genoemde doelgroep behoren mensen die op grond van individuele omstandigheden met de onder c genoemde doelgroep kunnen worden gelijkgesteld.

In artikel 46 van de Richtlijnen is bepaald dat aan een persoon die geen recht heeft op bijzondere bijstand, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van de Richtlijnen, bijstand kan worden verleend indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

4.7. De Richtlijnen - voor zover hier van belang - worden door de Raad beschouwd als buitenwettelijk begunstigend beleid, voor zover deze inhouden dat bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten kan worden verleend, indien geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Zie hiervoor de door het college ter zitting van de Raad genoemde uitspraken van 20 april 2010, LJN BM2956, 27 april 2010, LJN BM3103, en 12 juli 2011, LJN BR2237. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie bijvoorbeeld de drie hiervoor genoemde uitspraken - betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.

4.8. Dit laatste is hier het geval. Het college heeft kenbaar gemaakt dat onder ‘daklozen’ in de zin van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Richtlijnen moet worden verstaan: daklozen die de nacht doorgaans buiten doorbrengen en daklozen die de nacht doorgaans doorbrengen in daartoe door de dienst sociale zaken en werkgelegenheid aangewezen instellingen. Niet in geschil is dat appellante daar niet onder valt. Evenmin is in geschil dat appellante, nadat zij noodgedwongen de woning van haar dochter had moeten verlaten, gedurende een korte periode in mei/juni 2008, geen eigen zelfstandig overnachtingsadres had. Zij heeft toen zes nachten in de crisisopvang doorgebracht en daarna een aantal nachten in hotel De Baronie, tot zij eind juni 2008 een eigen woning kreeg. Hiervan uitgaande en gelet op de door het college gehanteerde uitleg van het begrip ‘daklozen’, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de situatie van appellante niet kan worden gelijkgesteld met de doelgroep daklozen die opnieuw een woning betrekken. Het college heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen appellante naar voren heeft gebracht over haar voorgeschiedenis, haar financiële situatie en het gedurende een korte periode niet kunnen beschikken over een zelfstandig overnachtingsadres geen zeer dringende redenen opleveren die noodzaken tot verlening van bijstand in afwijking van de Richtlijnen.

4.9. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.8 is overwogen, treffen de in 3 verwoorde beroepsgronden geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2012.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD