Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
11-989 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging AOW-toeslag. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij is beslist over de wijze waarop het inkomen in verband met arbeid van de partner van appellant op zijn AOW-toeslag in mindering moet worden gebracht kan niet opnieuw aan de orde worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/989 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 januari 2011, 10/455 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 2 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 26 augustus 2009 heeft de Svb appellant met ingang van december 2009 een ouderdomspensioen voor een gehuwde ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Daarbij is aangegeven dat tevens recht bestaat op een van het inkomen van de partner van appellant afhankelijke toeslag.

1.2. Bij besluit van 15 december 2009 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat het inkomen van zijn partner opnieuw is vastgesteld en dat zijn AOW-toeslag vanaf december 2009 opnieuw is berekend en is gewijzigd.

1.3. Appellant heeft bij brief van 20 december 2009 bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop zijn AOW-toeslag in het besluit van 15 december 2009 wordt berekend.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 9 april 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard. De Svb heeft daarbij onder meer overwogen dat op grond van de geldende wet- en regelgeving het nabestaandenpensioen van de partner van appellant wordt aangemerkt als inkomen in verband met arbeid en in mindering op de AOW-toeslag gebracht moet worden. De Svb concludeert dat de korting op de AOW-toeslag in het besluit van 15 december 2009 op de juiste wijze is vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - ambtshalve - geoordeeld dat, nu appellant geen bezwaar heeft ingediend tegen het besluit van 26 augustus 2009, dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden wat betreft de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bruto inkomsten uit en in verband met arbeid van de partner van appellant. De rechtbank heeft overwogen dat de Svb met het besluit van 15 december 2009 geen wijziging heeft gebracht in de reeds met het besluit van 26 augustus 2009 aan appellant meegedeelde systematiek van korten, meer in het bijzonder in het korten van de door de partner van appellant ontvangen bruto bedragen. Aangezien het bezwaar (en beroep) zich richt tegen de korting van de bruto bedragen, derhalve tegen de systematiek van de korting en niet ziet op de hoogte van de in aanmerking te nemen inkomsten uit of in verband met arbeid, had de Svb appellant naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk dienen te verklaren in het door hem tegen het besluit van 15 december 2009 ingestelde bezwaar. Nu de Svb dit niet heeft onderkend komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2009 niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar betreft. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij oneerlijk wordt behandeld nu het nabestaandenpensioen van zijn partner bruto wordt gekort op zijn AOW-toeslag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het beroep van appellant heeft - opnieuw - betrekking op de wijze waarop het inkomen in verband met arbeid van zijn partner op zijn AOW-toeslag in mindering wordt gebracht. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen kan de rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij is beslist over de systematiek van berekening van de korting niet opnieuw aan de orde worden gesteld. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat reeds in het besluit van 26 augustus 2009 is beslist over de wijze waarop het inkomen in verband met arbeid van de partner van appellant op zijn AOW-toeslag in mindering moet worden gebracht. Ter voorlichting aan appellant voegt de Raad hieraan toe dat de Raad niet kan treden in de innerlijke waarde van de kortingsregeling.

5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van de Svb op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2012.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) G.J. van Gendt.

KR