Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
10-6517 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Door niet mee te werken aan een huisbezoek heeft appallante niet voldaan aan medewerkingsverplichting en als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Redelijke grond voor het huisbezoek. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de handhavingsmedewerkers zich zodanig onbehoorlijk hebben gedragen dat voortzetting van het huisbezoek niet redelijkerwijs van haar kon worden gevergd. Niet aannemelijk gemaakt dat de psychiatrische gesteldheid van appellante haar verhinderde verdere medewerking aan het huisbezoek te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6517 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 oktober 2010, 10/492 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

Datum uitspraak: 6 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 24 januari 2012. Partijen zijn niet ter zitting verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving laatstelijk vanaf 23 januari 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zij heeft bij het college gemeld te wonen op het adres [adres 1] [naam gemeente 1] (uitkeringsadres).

1.2. Omdat appellante op het uitkeringsadres vanaf januari 2008 was afgesloten van gas en elektriciteit is een onderzoek ingesteld naar de juistheid en volledigheid van de door haar verstrekte gegevens. In dat kader is appellante opgeroepen voor een gesprek op het kantoor van de Dienst Sociale Zaken en Werk (sociale dienst) op 7 september 2009. Zij heeft toen aldaar een verklaring afgelegd. Na afloop van het gesprek hebben twee handhavingsmedewerkers een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres, waarbij slechts de woonkamer en de gang werd gezien. Van het huisbezoek is verslag gedaan in het ongedateerde Rapport van bevindingen huisbezoek.

1.3. Bij besluit van 15 september 2009 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 7 september 2009 ingetrokken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, door niet mee te werken aan het huisbezoek op 7 september 2009, niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WWB op haar rustende medewerkingsverplichting en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 13 januari 2010 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 januari 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft allereerst aangevoerd dat een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op 7 september 2009 ontbrak. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat het college allang bekend was met het feit dat het uitkeringsadres was afgesloten van gas en elektriciteit en niettemin bijstand heeft verleend. Aangezien bij aanvang van het huisbezoek die situatie niet was gewijzigd, kan hierin geen redelijke grond voor dat huisbezoek gelegen zijn.

4.2. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van de omvang van het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.3. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante voorafgaande aan het huisbezoek op 7 september 2009 op het kantoor van de sociale dienst heeft verklaard dat zij nog steeds niet beschikt over gas, water en licht. Op basis van die verklaring kan redelijkerwijs worden getwijfeld of de eerdere door appellante over haar woonadres verstrekte informatie juist en volledig was. Aangezien het woonadres een gegeven is dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand en het college niet op een andere en voor haar minder belastende wijze kon verifiëren of appellante op het uitkeringsadres woonachtig was, bestond een redelijke grond voor het huisbezoek van 7 september 2009. De omstandigheid dat het college allang bekend was met het feit dat het uitkeringsadres was afgesloten van gas en elektriciteit en niettemin bijstand heeft verleend, maakt dat niet anders. De onder 4.1 weergegeven beroepsgrond treft dan ook geen doel.

4.4. Appellante heeft verder aangevoerd dat van schending van de medewerkingsverplichting geen sprake is. De handhavingsmedewerkers die het huisbezoek aflegden waren extreem onbeleefd en stelden allerlei irrelevante vragen zoals bijvoorbeeld de vraag waarom appellante zwanger was en van wie.

4.5. Uit het Rapport van bevindingen huisbezoek blijkt dat appellante aan de handhavingsmedewerkers toestemming heeft gegeven om de woning op het uitkeringsadres te betreden. Na een onderhoud van tien minuten in de woonkamer heeft appellante te kennen gegeven dat zij niet wilde dat handhavingsmedewerker H. [D.] in haar woning bleef, maar dat handhavingsmedewerker E. [J.] mocht blijven en vragen mocht stellen. Nadat [J.] appellante te kennen had gegeven dat huisbezoeken door twee personen worden afgelegd, heeft zij ook [J.] verzocht de woning te verlaten. Vervolgens hebben de handhavingsmedewerkers de woning verlaten. Appellante heeft aldus de voortzetting van het huisbezoek door de handhavingsmedewerkers niet toegestaan.

4.6. De Raad heeft al eerder overwogen (CRvB 30 maart 2010, LJN BL9746) dat onbehoorlijke gedragingen door ambtenaren tijdens een huisbezoek voor belanghebbenden een gerechtvaardigde reden zijn om voortzetting van het huisbezoek niet toe te staan. In dat geval is van schending van de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de WWB geen sprake. Appellante heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de handhavingsmedewerkers van de gemeente Vlaardingen zich zodanig onbehoorlijk hebben gedragen dat voortzetting van het huisbezoek niet redelijkerwijs van haar kon worden gevergd. Voor de door appellante gestelde extreme onbeleefdheid van de handhavingsmedewerkers en de door hen gestelde irrelevante vragen zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden. Appellante heeft overigens over de gestelde wijze van bejegening geen klacht bij het college ingediend. Het voorgaande betekent dat de onder 4.4 weergegeven beroepsgrond geen doel treft.

4.7. Appellante heeft ten slotte betoogd dat de sociale dienst bekend was met haar psychiatrische gesteldheid en dat het college haar opnieuw had moeten uitnodigen voor een gesprek alvorens de bijstand in te trekken. De Raad begrijpt dit betoog aldus dat appellante aanvoert dat het college niet in redelijkheid gebruik had kunnen maken van zijn bevoegdheid om de bijstand met ingang van 7 september 2009 in te trekken omdat het haar in verband met haar psychiatrische gesteldheid niet kan worden aangerekend dat zij haar medewerking aan het huisbezoek heeft afgebroken. De Raad verwerpt deze beroepsgrond. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de psychiatrische gesteldheid van appellante haar op 7 september 2009 verhinderde verdere medewerking aan het huisbezoek te verlenen.

4.8. Het voorgaande voert tot de conclusie dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en E.J. Govaers en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J.M. Tason Avila.

IJ