Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7901

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
10-5577 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Hoogte terugvordering. Het College zal onderscheid moeten maken tussen de delen van de periode in geding die respectievelijk vallen in het boekjaar 2006 en in 2007. Voor elk van die delen zal het College moeten vaststellen tot welk netto bedrag appellant recht op bijstand zou hebben gehad naar de helft van de norm voor gehuwden. Vervolgens zal het College moeten vaststellen over welk netto bedrag appellant heeft beschikt in die deelperioden, de algemene bijstand op grond van het Bbz 2004 en de verworven inkomsten in aanmerking genomen. Voor zover appellant in één van die deelperioden netto over een hoger bedrag heeft beschikt dan de helft van de netto norm voor gehuwden, zal het College dit verschil van appellant netto kunnen terugvorderen, tot maximaal het netto bedrag van verstrekte uitkering op grond van het Bbz 2004. Het College kan immers niet meer terugvorderen over een deelperiode dan aan appellant is betaald. Het gaat hier om een netto terugvordering, omdat de uitkering op grond van het Bbz 2004 immers als lening is verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/55

Uitspraak

10/5577 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 september 2010, 09/922 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 28 november 2011 enkele vragen van de Raad beantwoord. Namens appellant heeft mr. Achterveld op deze beantwoording gereageerd.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 13 december 2011. Partijen zijn toen niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving in de periode van 18 april 2006 tot 18 april 2007 algemene bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10 procent van het minimumloon. Dit besluit berust onder meer op de grondslag dat appellant een woning deelt met

[betrokkene] (hierna: betrokkene). Ten tijde hier van belang ontving betrokkene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 23 augustus 2006 ingetrokken en de kosten van de over de periode van 23 augustus 2006 tot 18 april 2007 (hierna: de periode in geding) verleende bijstand tot een bedrag van € 3.852,05 van appellant teruggevorderd op de grond dat hij een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene. Bij besluit van 5 november 2007 heeft het College appellant een boete opgelegd van € 385,--. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 1 oktober 2007 en 5 november 2007 ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 17 december 2008, 08/870 (LJN BI0679), heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 maart 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover het ziet op de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode in geding en voor zover het ziet op de hoogte van het vastgestelde benadelingsbedrag en de hoogte van de vastgestelde boete, en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen met in achtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College wel bevoegd was de uitkering over de periode in geding te herzien, maar niet bevoegd was de uitkering in te trekken en volledig terug te vorderen, omdat, anders dan het College stelde, het recht op bijstand over die periode wel is vast te stellen. Het College beschikte over alle benodigde financiële gegevens van appellant en betrokkene, waaronder de inkomsten van appellant als zelfstandige, en was bekend met de woonsituatie van beiden, zodat het College het recht op bijstand naar de norm voor gehuwden had kunnen en moeten vaststellen. Het College kan alleen overgaan tot terugvordering van het verschil tussen de bijstand naar de norm voor een alleenstaande die appellant heeft genoten en (het deel van) de bijstand naar de norm voor gehuwden waarop hij aanspraak heeft. Omdat het boetebedrag afhankelijk is van het benadelingsbedrag, en dat niet vaststaat, dient de boete opnieuw bepaald te worden.

1.4. Ter uitvoering van de uitspraak van 17 december 2008 heeft het College op 17 maart 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Hierin heeft het College onder herroeping van het besluit van 1 oktober 2007 de bijstand van appellant over de periode van 23 augustus 2006 tot 1 augustus 2007 herzien en vastgesteld dat appellant en betrokkene over die periode samen een bedrag van € 14.263,29 aan bijstand hebben ontvangen en dat zij samen als gehuwden recht hadden op € 9.593,79, zodat € 4.619,50 te veel aan bijstand is uitgekeerd. Verder is besloten geen boete op te leggen. Bij dit besluit zijn specificaties van de herberekening gevoegd. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

1.5. Bij besluit van 8 december 2009 heeft het College het besluit van 17 maart 2009 ten aanzien appellant in zoverre gewijzigd dat een bedrag van € 4.174,50 van appellant wordt teruggevorderd. Tevens is hetzelfde bedrag van betrokkene teruggevorderd. Daartoe heeft het College overwogen dat aan appellant en betrokkene in de periode van

23 augustus 2006 tot 1 augustus 2007 een bedrag van € 5.828,32 te veel aan bijstand is betaald. Omdat zij echter door het indienen van bezwaar niet in een nadeliger positie mogen komen, is uitgegaan van het eerder vastgestelde bedrag van € 4.619,50, waarop in mindering zijn gebracht de bedragen van de eerder daarin opgenomen boete van € 385,-- en tegemoetkoming voor energiekosten van € 60,--. Bij dit besluit zijn andere specificaties van de herberekening gevoegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep van appellant tegen het besluit van 17 maart 2009 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van appellant tegen het besluit van 8 december 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en zelf voorziende in de zaak het terugvorderingsbedrag bepaald op € 3.956,13 netto. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de specificatie van de herberekening blijkt dat appellant in de periode van 23 augustus 2006 tot en met 31 juli 2007 een bedrag van in totaal € 14.060,99 aan bijstand heeft ontvangen, terwijl hij recht had op bijstand tot een bedrag van € 10.104,86 en dat het hier gaat om netto bedragen. Zij kan daarom niet volgen waarom € 4.174,50 wordt teruggevorderd, en niet het verschil, € 3.956,13.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien. Hij voert aan dat de rechtbank niet zelf in zaak kon en mocht voorzien. De onderbouwing van de berekening in het besluit van

8 december 2009 is onnavolgbaar en niet verifieerbaar. Bovendien zijn beide partijen het niet eens met de door de rechtbank bepaalde uitkomst, zodat niet maar één beslissing mogelijk was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Nu tegen de uitspraak van 17 december 2008 geen hoger beroep is ingesteld, stond aan de rechtbank ter beoordeling of het College op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan die uitspraak. Het College heeft met het besluit van 8 december 2009 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan die uitspraak. Zo heeft het College een ruimere periode in zijn besluitvorming betrokken dan de periode in geding door daarbij ook de periode van 18 april 2007 tot 1 augustus 2007 te betrekken en is het College mede daardoor gekomen tot een hoger terugvorderingsbedrag dan hetgeen aanvankelijk van appellant teruggevorderd werd. Bovendien heeft het College met het besluit de kosten van de aan betrokkene verleende bijstand mede van appellant teruggevorderd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt daarom. De aangevallen uitspraak komt dus voor vernietiging in aanmerking, voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien.

4.2. De Raad ziet nu geen mogelijkheid het geschil finaal te beslechten. Ook met de beantwoording door het College van de schriftelijke vragen van de Raad en aan de hand van de specificaties van herberekening bij de besluiten van 17 maart 2009 en 8 december 2009 kan de Raad zonder nadere toelichting niet vaststellen welk bedrag het College met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2008 van appellant mag terugvorderen. Daarom zal de Raad het College met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opdragen om met inachtneming van deze uitspraak het onder 4.1 aangeduide gebrek in het besluit van 8 december 2009 te herstellen door binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daartoe overweegt de Raad nog als volgt.

4.3. De omvang van het geschil, waarin de rechtbank in haar uitspraak van 17 december 2008 heeft beslist, betrof slechts de herziening en terugvordering van appellant van de aan appellant verleende algemene bijstand op grond van het Bbz 2004 over de periode van 23 augustus 2006 tot 18 april 2007. De medeterugvordering van de kosten van de aan betrokkene verleende bijstand van appellant met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, kan bij dit nieuwe besluit niet betrokken worden. De vraag of de bevoegdheid daartoe bestaat kan dus in dit geding niet aan de orde komen. Dit geldt evenzeer voor de aan appellant en betrokkene verleende bijzondere bijstand. Nu het College reeds besloten heeft appellant geen boete op te leggen wegens schending van de inlichtingenverplichting, zal het College dit in de nieuwe beslissing op bezwaar dienen op te nemen.

4.4. Gelet op het bepaalde in de artikelen 10 tot en met 12 van het Bbz 2004 zal het College onderscheid moeten maken tussen de delen van de periode in geding die respectievelijk vallen in het boekjaar 2006 en in 2007. Voor elk van die delen zal het College moeten vaststellen tot welk netto bedrag appellant recht op bijstand zou hebben gehad naar de helft van de norm voor gehuwden. Vervolgens zal het College moeten vaststellen over welk netto bedrag appellant heeft beschikt in die deelperioden, de algemene bijstand op grond van het Bbz 2004 en de verworven inkomsten in aanmerking genomen. Voor zover appellant in één van die deelperioden netto over een hoger bedrag heeft beschikt dan de helft van de netto norm voor gehuwden, zal het College dit verschil van appellant netto kunnen terugvorderen, tot maximaal het netto bedrag van verstrekte uitkering op grond van het Bbz 2004. Het College kan immers niet meer terugvorderen over een deelperiode dan aan appellant is betaald. Het gaat hier om een netto terugvordering, omdat de uitkering op grond van het Bbz 2004 immers als lening is verstrekt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het College op om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 8 december 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. de Jong.

IJ