Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
09-6489 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting door niet te melden dat partner een WAO-uitkering had en (inkomsten uit) vermogen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij nakoming van de inlichtingenverplichting aanspraak hadden kunnen maken op de bijstandsnorm voor gehuwden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6489 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 oktober 2009, 08/2745 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadeel (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.W. Delhaye, advocaat te Bergum, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft desgevraagd nadere stukken ingediend, waarop van de zijde van het College is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2011. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Dijkstra, werkzaam bij de gemeente Dantumadeel.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 10 augustus 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Op 14 januari 2008 heeft appellante telefonisch aan haar bijstandsconsulent bij de gemeente doorgegeven dat zij op [datum] gaat trouwen en dat haar partner voldoende inkomsten heeft, zodat haar bijstand per die datum kan worden beëindigd.

1.3. Naar aanleiding van een in februari 2008 ontvangen tip dat appellante mogelijk al een aantal jaren samenwoont met [M.] (hierna: [M.]) is door een bijzonder controleur een onderzoek ingesteld, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 9 april 2008. Omdat het bruto fraudebedrag vermoedelijk meer dan € 6.000,-- bedraagt, is vervolgens een onderzoek ingesteld door de Sociale Recherche Fryslân naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer, zijn in de periode van 9 april 2008 tot en met 28 mei 2008 stelselmatig observaties verricht, zijn getuigen gehoord en zijn appellante en [M.] verhoord. De bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 3 juni 2008.

1.4. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 4 juni 2008, voor zover van belang, de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2006 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 december 2006 tot en met 30 april 2008 tot een bedrag van € 22.515,56 bruto van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 30 oktober 2008 heeft het College het door appellante en [M.] tegen het besluit van 4 juni 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan de intrekking en terugvordering over de periode van 1 december 2006 tot en met 30 april 2008 heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante gedurende de betreffende periode, zonder daarvan aan het College melding te maken, in haar woning met [M.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door appellante tegen het besluit van 30 oktober 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante en [M.] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat appellante, door hiervan geen melding te maken, niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting. Appellante heeft onvoldoende gegevens aangedragen om aan te tonen dat het inkomen van haar en [M.], die een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving, onder de bijstandsnorm voor gehuwden lag. Het College was daarom bevoegd om tot intrekking van de bijstand over te gaan en vervolgens de kosten van de ten onrechte verleende bijstand van appellante terug te vorderen.

3. Appellante heeft in hoger beroep opnieuw het standpunt van het College bestreden dat [M.] en zij gezamenlijk aanspraak hadden kunnen maken op een inkomen boven de relevante (bijstands)norm. Volgens appellante was het gezinsinkomen in 2007 en 2008, bestaande uit de WAO-uitkering van [M.] en een toeslag daarop ingevolge de Toeslagenwet (TW), lager dan de toen geldende bijstandsnorm voor gehuwden, zodat recht bestaat op aanvullende bijstand in het kader van de WWB. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt diverse stukken ingediend en - gevraagd naar de exacte hoogte van de toeslagen in 2007 en 2008 - besluiten van het Uwv gericht aan [M.] van 8 januari 2008 en 22 april 2009, betreffende zijn recht op toeslag ingevolge de TW, ingezonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 december 2006 tot en met 30 april 2008.

4.2. Tussen partijen is in hoger beroep niet meer in geschil dat appellante en [M.] in de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellante dit, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet aan het College heeft gemeld.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient, in gevallen waarin de bijstand op grond van schending van de inlichtingenverplichting wordt ingetrokken en de belanghebbende aanvoert dat er (aanvullend) recht op bijstand is, de belanghebbende aannemelijk te maken dat, indien de inlichtingenverplichting wel naar behoren zou zijn nagekomen, over de betrokken periode volledige, althans aanvullende bijstand zou zijn verleend. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd.

4.3.1. Uit het onder 3 genoemde besluit van het Uwv van 8 januari 2008 blijkt dat de WAO-uitkering van [M.] met ingang van 8 november 2006 inclusief de toeslag ingevolge de TW, 70% van het minimumloon voor ongehuwden/alleenstaanden bedroeg. Uit het door appellante overgelegde besluit van 10 oktober 2008, zoals later gewijzigd bij het eveneens onder 3 genoemde besluit van 22 april 2009, blijkt dat dit niet per 1 mei 2008 is gewijzigd in verband met de toekenning van een toeslag voor gehuwden of ongehuwd samenwonenden. Indien het gezamenlijke inkomen uit uitkeringen van appellante en [M.] in de hier te beoordelen periode lager was dan de bijstandsnorm voor gehuwden, die 100% van het minimumloon bedraagt, vindt dit zijn oorzaak in het feit dat [M.] blijkbaar bij zijn aanvraag van 14 juli 2008 voor de toeslag heeft opgegeven dat hij alleenstaand was, terwijl tussen partijen niet meer in geschil is dat vanaf 1 december 2006 sprake was van een gezamenlijke huishouding. Gesteld noch gebleken is dat [M.] bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 8 januari 2008. Voorts is van de zijde van het College onweersproken gesteld dat [M.] inkomsten heeft genoten uit verhuur van de woning van zijn overleden vader en, naar kon worden aangenomen, in verband met diezelfde woning ten tijde in geding kon beschikken over meer dan het vrijgestelde vermogen. Appellante heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij bij nakoming van de inlichtingenverplichting aanspraak hadden kunnen maken op de bijstandsnorm voor gehuwden.

4.4. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het College bevoegd was om de kosten van de ten onrechte verleende bijstand over de periode van 1 december 2006 tot en met 30 april 2008 tot een bedrag van € 22.515,56 bruto van appellante terug te vorderen.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.L.G. Boot.

HD