Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
10-4681 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Door geen mededeling te doen aan het college van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning van appellant heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat het college niet heeft besloten om tot intrekking van de bijstand over te gaan. Het feit dat uit de bankafschriften niet blijkt dat er inkomsten uit de hennepkwekerij zijn genoten betekent niet dat appellant in het geheel geen inkomsten uit de hennepkwekerij heeft ontvangen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat pas in mei 2009 met de inrichting van de hennepkwekerij op de zolder van zijn woning is begonnen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn verklaringen onder ontoelaatbare druk of dwang zijn afgelegd. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat zijn verklaringen onjuist of onvolledig zijn weergegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4681 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 juli 2010, 10/789 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 6 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B. Zebregs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2012. Partijen zijn niet verschenen met bericht van verhindering van mr. Zebregs en van het college.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 8 juli 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een door de Regiopolitie Midden en West Brabant (regiopolitie) op 21 juli 2009 verrichte doorzoeking in de woning van appellant aan de [adres] te Tilburg, waarbij een hennepkwekerij is aangetroffen, heeft het Team Fraudebestrijding een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is gebruik gemaakt van de onderzoeksgegevens van de regiopolitie en is appellant gehoord. De bevindingen van het nadere onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 oktober 2009.

1.3. Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gevonden om bij besluit van 23 oktober 2009, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant over de periode van 3 april 2009 tot en met 21 juli 2009 in te trekken en de kosten van de over die periode verstrekte bijstand tot een bedrag van € 3.729,45 netto van appellant terug te vorderen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant, door geen melding te maken van zijn activiteiten als hennepkweker, de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de genoemde periode niet kan worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 4 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aan gevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat geen intrekkingsbesluit, althans geen apart intrekkingsbesluit is genomen, zodat de formele grondslag voor de terugvordering ontbreekt. Daarnaast blijkt uit de bankafschriften dat appellant geen inkomsten heeft gehad uit de hennepkwekerij. Voorts is volgens hem niet aannemelijk dat de hennepkwekerij al in april 2009 is opgestart, zodat hij over die maand nog recht heeft op bijstand. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat hij stevig is ondervraagd, waarbij hij vervolgens gedwongen is de verklaring te ondertekenen, waaraan hij nog heeft toegevoegd dat hij in die periode zichzelf niet was aangezien hij net hersteld was van ziekte.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat in de woning van appellant op 21 juli 2009 een hennepkwekerij met in totaal 263 hennepplanten is aangetroffen. Van de aanwezigheid van die kwekerij in de aan die datum voorafgaande periode heeft appellant geen mededeling aan het college gedaan. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het hier gaat om een feit dat van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Daarmee is gegeven dat appellant de op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.2. De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog dat het college niet heeft besloten om tot intrekking van de bijstand over te gaan. Zo staat in het besluit van 23 oktober 2009 vermeld dat het recht op uitkering over de periode van 3 april 2009 tot en met 21 juli 2009 wordt ingetrokken. In het bestreden besluit wordt verwezen naar artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB en wordt voorts besloten om het besluit tot intrekking van de bijstand over de genoemde periode te handhaven. De Raad onderschrijft ook niet het standpunt van appellant dat het besluit tot intrekking zou moeten worden neergelegd in een afzonderlijk besluit dat voorafgaat aan het besluit tot terugvordering.

4.3. Het feit dat uit de bankafschriften niet blijkt dat er inkomsten uit de hennepkwekerij zijn genoten betekent niet dat appellant in het geheel geen inkomsten uit de hennepkwekerij heeft ontvangen. Appellant kan immers ook op andere wijze inkomsten daaruit hebben verkregen. In dit verband is van belang de verklaring die appellant op 21 juli 2009 ten overstaan van verbalisanten van de regiopolitie heeft afgelegd. Appellant heeft toen onder meer verklaard dat hij vijfduizend euro zou krijgen voor het beschikbaar stellen van de zolder van zijn woning om een hennepkwekerij in te richten.

4.4. In het kader van de beroepsgrond van appellant dat hij over de maand april 2009 recht heeft op bijstand, is van belang de verklaring die appellant op 9 oktober 2009 ten overstaan van twee sociaal rechercheurs van het Team Fraudebestrijding heeft afgelegd. Appellant verklaart hierbij aan een vriend toestemming te hebben gegeven om op de zolder van zijn woning een hennepkwekerij op te zetten als hij op vakantie zou gaan. Vervolgens heeft appellant de sleutel van zijn woning aan zijn vriend gegeven en is in april 2009 naar Quatar gegaan. Dit laatste vindt steun in de stempels van Quatar die volgens het rapport van 23 oktober 2009 in het paspoort van appellant zijn aangetroffen, waarbij als eerste datum die van 3 april 2009 is vermeld. Gelet op het voorgaande heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat pas in mei 2009 met de inrichting van de hennepkwekerij op de zolder van zijn woning is begonnen.

4.5.Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn verklaringen onder ontoelaatbare druk of dwang zijn afgelegd. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat zijn verklaringen onjuist of onvolledig zijn weergegeven. Appellant is tijdens het eerste verhoor op 21 juli 2009 gewezen op zijn zwijgrecht en hij heeft, nadat hij de verklaring had doorgelezen en had verklaard daarin te volharden, deze ondertekend. Bovendien is het proces-verbaal op ambtseed opgemaakt en ondertekend. Van het tweede gesprek op 9 oktober 2009 is een gespreksverslag gemaakt, dat appellant eveneens heeft ondertekend. Dat appellant naar zijn zeggen zichzelf niet was omdat hij nog maar net hersteld was van ziekte, wat daarvan ook zij, maakt nog niet dat hij om die reden niet aan zijn verklaring gehouden kan worden.

4.6. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en E.J. Govaers en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD