Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7789

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
12-212 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek van het College om een voorlopige voorziening. Strafontslag wegens plichtsverzuim. Het gaat hier dan om het thuis ontvangen van een klant en het bemiddelen tussen klanten en kennissen. Het komt de voorzieningenrechter niet onjuist voor dat de rechtbank gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden, waaronder ook dat betrokkene zich, zonder enig eigen belang, op bijzondere wijze - en met succes - heeft ingezet voor de klanten van de DWI. Daarmee is het niet in zodanige mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, dat er grond is voor het treffen van een voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/212 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam (verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2011, 11/4078 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (betrokkene)

en

verzoeker

Datum uitspraak: 5 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2012. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. Boes-Kouwenoord. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. E.C. van Fenema, advocaat.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als [naam functie] voor niet-uitkeringsgerechtigden (NUG’ers) bij de gemeentelijke dienst Werk en Inkomen (DWI).

Op grond van een onderzoeksrapport van het bureau Integriteit van de interne accountantsdienst (IAD) van de DWI - naar aanleiding van een tip dat betrokkene mogelijk betrokken was bij het zwart laten werken van een klant van hem - heeft verzoeker de conclusie getrokken dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan integriteitsschendingen. Bij besluit van 28 juli 2010 (primair besluit) is aan betrokkene daarom de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Na bezwaar is dat besluit gehandhaafd bij besluit van 14 juli 2011 (bestreden besluit), waarbij, op grond van een nader rapport van de IAD, het aan betrokkene bij het primaire besluit verweten plichtsverzuim is uitgebreid. Het oorspronkelijk gemaakte verwijt van het door een klant van betrokkene zwart laten klussen bij hem of bij kennissen van betrokkene, is niet langer gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, betrokkenes beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank was van oordeel dat weliswaar op enkele punten sprake was van plichtsverzuim maar dat op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval en gegeven het veranderde karakter van het oorspronkelijk verweten plichtsverzuim een onvoorwaardelijk strafontslag hier onevenredig zwaar is.

3. Verzoeker heeft aangevoerd dat het gegeven onvoorwaardelijk strafontslag op juiste gronden is genomen, dat de aangevallen uitspraak daarom onjuist is en dus voor vernietiging in aanmerking komt. Omdat een nieuwe beslissing op bezwaar, waartoe de rechtbank de opdracht heeft gegeven, de terugkeer van betrokkene op de werkvloer impliceert, acht verzoeker een schorsing van die opdracht noodzakelijk. Hij acht het namelijk niet gewenst dat betrokkene zal terugkeren bij de DWI gelet op de impact van het gedrag.

4. Betrokkene heeft het standpunt van verzoeker gemotiveerd weersproken. Hij is verder van opvatting dat hem niet of nauwelijks plichtsverzuim te verwijten is. Voor zover daarover anders zou moeten worden geoordeeld, is de opgelegde straf zijns inziens onevenredig zwaar. Ook de gestelde impact van de verweten gedragingen is betwist: voor de gestelde imagoschade is geen bewijs geleverd.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

5.3. Gelet op het feit dat de aangevallen uitspraak impliceert dat het dienstverband met betrokkene wordt hersteld, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen door verzoeker in dat verband is aangevoerd een voldoende spoedeisend belang gelegen. De voorzieningenrechter zal dus antwoord moeten geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die slechts in een bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. In het kader van het nu gedane verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

5.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak vrij nauwkeurig de door haar als plichtsverzuim aangemerkte feiten - beperkter overigens dan in het bestreden besluit is gesteld - heeft vastgesteld en gekwalificeerd. In het kader van deze procedure neemt de voorzieningenrechter dit als uitgangspunt, hoewel hem de betwisting door betrokkene van de kwalificatie plichtsverzuim niet geheel onbegrijpelijk voorkomt. Het gaat hier dan om het thuis ontvangen van een klant en het bemiddelen tussen klanten en kennissen.

De rechtbank heeft vervolgens gemotiveerd waarom de bijzondere omstandigheden waaronder de gedragingen hebben plaatsgevonden - alle in het belang van de doelstelling om de NUG’ers aan het werk te helpen en nooit in het belang van betrokkene zelf of oneigenlijk in het belang van kennissen - , maken, dat niet tot de conclusie gekomen kan worden dat in dit geval sprake is van een plichtsverzuim van zodanig aard en ernst dat een onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig is te achten.

5.5. De rechtbank heeft de juiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Kennelijk heeft zij vervolgens niet alleen tot uitgangspunt genomen dat de Raad (streng) tuchtrechtelijk optreden tegen ernstige integriteitsschendingen in rechte veelal houdbaar acht, maar ook dat daarbij de omstandigheden van het geval niet uit het oog mogen worden verloren. Het komt de voorzieningenrechter niet onjuist voor dat de rechtbank gewicht heeft toegekend aan de geschetste omstandigheden, waaronder ook dat betrokkene zich, zonder enig eigen belang, op bijzondere wijze - en met succes - heeft ingezet voor de klanten van de DWI.

5.6. Daarmee is het niet in zodanige mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, dat er grond is voor het treffen van een voorziening.

5.7. Gezien dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en gelet op de omstandigheid dat betrokkene groot belang heeft bij daadwerkelijk herstel van zijn dienstverband, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van belangen aanleiding de gevraagde voorziening af te wijzen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat hij er niet van overtuigd is geworden dat de gedragingen een zodanige impact hebben gehad dat betrokkene niet onmiddellijk bij de DWI aan het werk zou kunnen, terwijl hem verder evenmin is gebleken dat betrokkene ongeschikt zou moeten worden geacht voor het weer vervullen van zijn betrekking, anders dan op grond van ziekten of gebreken.

5.8. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding dit oordeel kracht bij te zetten door het vaststellen van een dwangsom, zoals door betrokkene is verzocht. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verzoeker, gelet op hetgeen onder 5.7 is overwogen, binnen een termijn van twee weken na ontvangst van deze uitspraak zal voldoen aan de hem bij de aangevallen uitspraak gegeven opdracht een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

6. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verzoeker met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand en 11,80 aan reiskosten, in totaal € 885,80.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 885,80.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) J. de Jong.

IJ