Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7774

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
11-1870 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische grondslag berust. De signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van betrokkene zijn afdoende besproken en de geduide functies zijn in medisch opzicht geschikt te achten voor betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1870 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2011, 10/774 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 2 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2012. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een samenvatting van het voorafgaande verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 29 april 2011, LJN BQ3365, waarin is geoordeeld over de toekenning aan betrokkene van een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 16 januari 2006. De Raad heeft geconcludeerd dat de besluitvorming berust op een deugdelijke medische grondslag en dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor betrokkene. De Raad heeft ook vastgesteld dat de uitkering tijdens de periode van 16 januari 2006 tot 19 juni 2008 is betaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, in afwijking van het zowel door de arbeidsdeskundige als door de bezwaararbeidsdeskundige berekende arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55.

1.2. In het thans aan de orde zijnde geding gaat het om de herziening van de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 19 juni 2008 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, waartoe appellant heeft besloten bij besluit op bezwaar van 12 februari 2010 (bestreden besluit).

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft voorts beslissingen gegeven over vergoeding aan betrokkene van proceskosten en griffierecht.

2.2. Naar het oordeel van de rechtbank is er niet gebleken van een op de datum 19 juni 2008 toegespitste medische en arbeidskundige beoordeling. De bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink heeft ten onrechte de fysieke en psychische gezondheidstoestand van betrokkene per 19 juni 2008 niet opnieuw beoordeeld, heeft geen informatie ingewonnen bij de behandelend psychiater en hij heeft ten onrechte de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van 25 maart 2008 en de rapportage van de psychiater W.M.J. Hassing van 19 maart 2008 aan zijn beoordeling ten grondslag gelegd. Volgens de rechtbank zien beide laatstgenoemde rapportages op een andere datum in geding, namelijk 16 januari 2006 in plaats van 19 juni 2008. Nu het bestreden besluit niet op een deugdelijke medische grondslag berust, is daarmee ook de arbeidskundige grondslag aan het bestreden besluit komen te ontvallen.

3. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden en zich op het standpunt gesteld dat er wel degelijk een zorgvuldig onderzoek is verricht naar de medische en arbeidskundige situatie van betrokkene op 19 juni 2008. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts De Vink van 20 en 28 januari 2010 blijkt dat hij voor zijn beoordeling per 19 juni 2008 aansluiting heeft gezocht bij de beoordeling van bezwaarverzekeringsarts Hulst en de FML van 25 maart 2008 alsmede de rapportage van psychiater Hassing van 19 maart 2008. Appellant heeft daarbij opgemerkt dat zowel psychiater Hassing als de bezwaarverzekeringsarts Hulst, behalve de gezondheidstoestand van betrokkene per 16 januari 2006, ook de actuele situatie op het moment van hun onderzoek in maart 2008 hebben beschreven.

Voorts heeft appellant er op gewezen dat de Raad in zijn eerdergenoemde uitspraak van 29 april 2011 heeft geoordeeld dat het onderzoek van bezwaarverzekeringsarts Hulst zorgvuldig was en dat hij de opgestelde FML van 25 maart 2008 mocht baseren op het rapport van psychiater Hassing.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de beoordeling heeft appellant aangevoerd dat de bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe in zijn rapportage van 9 februari 2010 de geduide functies heeft geactualiseerd naar 19 juni 2008.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts beschikte over voldoende informatie over de gezondheidstoestand van betrokkene in maart 2008 en dat van de kant van betrokkene niets is aangevoerd dat erop wijst dat zijn situatie in de eerste helft van 2008 is veranderd. De Raad volgt appellant in hetgeen in het aanvullend beroepschrift is verwoord en de bezwaarverzekeringsarts in hetgeen hij hieromtrent in zijn aanvullende rapportage van 11 mei 2011 heeft uiteengezet.

4.3.1. De rechtbank is niet toegekomen aan een beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Gelet op het belang van finale geschilbeslechting, en nu partijen in bezwaar en beroep hun standpunt duidelijk hebben uiteengezet, ziet de Raad aanleiding om dit geschilpunt ook thans, evenals in zijn uitspraak van 29 april 2011, te beoordelen.

4.3.2. De arbeidskundige beoordeling in bezwaar is gebaseerd op een geactualiseerde selectie van de functies die ten grondslag zijn gelegd aan de eerdere schatting per 16 januari 2006.

4.3.3. Onder verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Pompe van 9 februari 2010, alsmede naar het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 7 januari 2011, is de Raad van oordeel dat de signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van betrokkene afdoende zijn besproken en dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor betrokkene.

4.4. Het hoger beroep van appellant treft gelet op 4.2 doel. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, echter vanwege de omstandigheid dat de arbeidskundige toelichting van de kant van appellant eerst in beroep is gecompleteerd, met uitzondering van de bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het bestreden besluit dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

4.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de bepalingen met betrekking tot de vergoeding van proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 12 februari 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2012.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) J.R. Baas.

GdJ