Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7696

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
11-2671 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW van 92% van het maximale AOW-bedrag. Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift. Voor zover appellant in de bezwaarfase in onzekerheid verkeerde ten aanzien van mogelijke premie-afdracht, had het op zijn weg gelegen om pro forma een bezwaarschrift in te dienen om zo de fatale termijn van zes weken veilig te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2671 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Frankrijk (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2011, 10/4704 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 1 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Verder heeft appellant nader stukken ingezonden.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2012. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft de Svb aan appellant met ingang van augustus 2009 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, van 92% van het maximale AOW-bedrag.

1.2. Bij brief van 10 april 2010 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het voornoemd besluit.

1.3. Op de schriftelijke vraag van de Svb waarom het bezwaar te laat is ingediend heeft appellant geantwoord dat hij na telefonisch contact in augustus 2009 hierover met de Svb, in de veronderstelling verkeerde dat de korting wegens wonen in Frankrijk terecht was. Na het lezen van materie hierover op een Frankrijkforum is appellant echter tot een andere conclusie gekomen. Verder verkeerde appellant in een ‘pensioendip’ en heeft hij een poos in een ziekenhuis in Frankrijk gelegen.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 19 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Overwogen is dat het bezwaar buiten de bezwaartermijn van zes weken is ingediend en dat de door appellant in 1.3 samengevat weergegeven argumenten de termijnoverschrijding niet kunnen verschonen. Uit de door appellant beschikbare gestelde informatie blijkt dat hij tijdig kennis heeft kunnen nemen van het besluit van 4 augustus 2009 en dat appellant in staat is geweest om te reageren.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is in aanmerking genomen dat appellant naar aanleiding van het besluit van 4 augustus 2009 telefonisch contact met de Svb heeft opgenomen. De rechtbank heeft hieruit geconcludeerd dat appellant in staat is geweest zijn belangen naar behoren te behartigen en dus ook in staat is geweest tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Tot slot heeft de rechtbank erop gewezen, dat in laatstgenoemd besluit nadrukkelijk is vermeld dat het bezwaarschrift voor 16 september 2009 door de Svb moest zijn ontvangen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in september 2009 tijdens een telefonisch onderhoud met een medewerkster van de Svb op het verkeerde been is gezet over de korting op het AOW-pensioen. De korting was volgens deze behandelaarster gebaseerd op het eigendom van een huis in het buitenland. Daarvoor verwees zij naar de begeleidende brief van appellant van 21 maart 2009 bij de aanvraag om een AOW-uitkering. Ook verkeerde appellant in onzekerheid over de afdracht van premies voor de vrijwillige verzekering. Verder heeft appellant gesteld dat hij in de periode van de bezwaartermijn kalmeringsmiddelen gebruikte.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift van appellant niet tijdig is ingediend. Tussen partijen is slechts in geschil de vraag of de overschrijding van de bezwaartermijn ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschoonbaar is.

4.2. Allereerst onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt daar het volgende aan toe.

4.3. Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellant niet beschikt over medische verklaringen over zijn gezondheidstoestand ten tijde van de bezwaartermijn van zes weken. Daargelaten de medische toestand van appellant, is niet gebleken dat appellant gedurende de bezwaarperiode in het geheel niet in staat is geweest zijn belangen te behartigen, gelet op het door hem gestelde telefonisch contact met de Svb in augustus of - volgens appellant ter zitting van de Raad - de eerste weken van september 2009. Voor zover appellant stelt tijdens dat gesprek door de Svb op het verkeerde been te zijn gezet, neemt de Raad in aanmerking dat van dat gesprek geen concrete, verifieerbare informatie in de vorm van bijvoorbeeld een telefoonrapport voorhanden is.

4.4. Ten aanzien van de onder overweging 3 aangehaalde brief van 21 maart 2009, overweegt de Raad dat de Svb uit de inhoud van deze brief niet veel anders heeft kunnen opmaken dan dat appellant in of bij een eigen woning in Frankrijk verbleef en slechts incidenteel in Nederland. In die brief heeft appellant gesteld: “Ik ben al een aantal jaren eigenaar van een woning in Frankrijk waar ik het grootste deel van het jaar verblijf sinds mijn pensionering op 1 oktober 2004. Op het huidige woonadres verblijf ik incidenteel om diverse redenen.”

4.5. Voor zover appellant in de bezwaarfase in onzekerheid verkeerde ten aanzien van mogelijke premie-afdracht, had het op zijn weg gelegen om pro forma een bezwaarschrift in te dienen om zo de fatale termijn van zes weken veilig te stellen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd levert geen omstandigheden op die ertoe leiden de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

4.6. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2012.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) Z. Karekezi.

TM