Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7691

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
11-618 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van. Geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/618 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te Marokko (appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2010, 09/3945 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 2 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.R. Klaver, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2012. Appellanten zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 17 oktober 2005 heeft [betrokkene] (betrokkene) kinderbijslag aangevraagd voor drie kinderen, [A.] el [F.] (geboren in 1964), [J.] el [F.] (geboren in 1968) en [N.-E.] el [F.] (geboren in 1968). Betrokkene is weduwe van [A.] el [F.]. Met een brief van 26 januari 2006 heeft de Svb betrokkene laten weten dat zij niet in aanmerking komt voor kinderbijslag. Betrokkene was inmiddels op 1 november 2005 overleden. Bij brief van 28 december 2006 hebben appellanten de Svb verzocht te beslissen op de aanvraag van 17 oktober 2005. Hierbij hebben zij gemeld dat het gaat om kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 1987.

1.2. Bij besluit van 4 mei 2007 heeft de Svb appellanten laten weten dat betrokkene niet in aanmerking komt voor kinderbijslag. De Svb merkt tevens op dit al tweemaal eerder aan betrokkene te hebben laten weten.

1.3. Bij besluit van 6 september 2007 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2007 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 4 augustus 2008 het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Svb ter zitting liet weten het besluit van 6 september 2007 niet te handhaven.

2.2. Bij besluit op bezwaar van 21 juli 2009 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb overwogen dat op 25 november 1996 is beslist op aanvragen voor kinderbijslag, gedaan in 1995 en 1996. Deze aanvragen zijn afgewezen. De Svb merkt ook op dat recht op kinderbijslag over de jaren 1987 tot en met 1989 niet kon worden toegewezen in 1995 of 1996, omdat, gezien artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) zoals dat destijds gold, kinderbijslag met hooguit drie jaar terugwerkende kracht kon worden toegekend. Voor zover appellanten beogen te stellen dat op de aanvragen uit 1995 en 1996 niet door de Svb is beslist, is de Svb van mening dat het verzoek dan niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Door niet eerder dan in 2005 of 2006 bezwaar te maken tegen de weigering te beslissen moet gezegd worden dat dit bezwaar onredelijk laat is ingediend.

3. De rechtbank is van oordeel dat de besluiten van 25 november 1996 en 26 januari 2006 in rechte vaststaan, nu daartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Gezien het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mocht de Svb de aanvraag afwijzen, nu er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd.

4. In hoger beroep bestrijden appellanten deze uitspraak. Zij menen dat wel sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Ook stellen zij opnieuw dat er ten onrechte geen nieuwe hoorzitting heeft plaatsgevonden na de eerdere zitting bij de rechtbank en de toezegging van de Svb dat getracht zal worden nog nadere gegevens te vinden.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De brief van appellanten van 28 december 2006 ziet op de gestelde weigering te beslissen op de aanvraag van betrokkene voor kinderbijslag van 17 oktober 2005. Op deze aanvraag is beslist bij besluit van 26 januari 2006. De aanvraag uit 2005 had betrekking op de gestelde weigering te beslissen op aanvragen uit 1995 en 1996. Bij besluit van 25 november 1996 is aan betrokkene medegedeeld dat zij geen recht had op kinderbijslag omdat zij niet verzekerd was voor de AKW. Tegen de besluiten van 25 november 1996 en 26 januari 2006 zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat de aanvraag van 28 december 2006 een verzoek betreft om terug te komen van de eerdere besluiten.

5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. De Svb mocht de aanvraag dan ook afwijzen onder verwijzing naar de eerdere besluiten. Voor zover appellanten stellen dat op de eerdere aanvragen niet is beslist en dat de huidige aanvraag gezien moet worden als een bezwaar tegen het uitblijven van een besluit, moet gesteld worden dat dit bezwaar in dat geval onredelijk laat is ingediend en om die reden niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. In ieder geval in het besluit van 25 november 1996 is door de Svb uiteengezet dat betrokkene niet verzekerd was voor de AKW. Indien betrokkene had gemeend wel verzekerd te zijn, had zij tegen dit besluit rechtsmiddelen moeten aanwenden. De stelling van appellanten dat het besluit van 25 november 1996 niet is ontvangen, is niet nader onderbouwd. Het gegeven dat dit na zoveel jaar niet meer is te onderbouwen komt voor hun rekening en risico, nu tot in ieder geval oktober 2005 is gewacht met het vragen om een reactie van de Svb.

5.3. Ten aanzien van het niet opnieuw horen in de bezwaarfase nadat het besluit van

6 september 2006 niet langer door de Svb was gehandhaafd, verwijst de Raad naar de overweging van de rechtbank hieromtrent. De Raad kan zich hier geheel in vinden.

5.4. Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden.

6. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2012.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) I.J. Penning.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

GdJ