Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7686

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
11/600 WSF + 11/732 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maandelijks te betalen bedrag ter aflossing van de studieschuld op nihil vastgesteld. De Minister heeft, ten gunste van appellant uitgaand van indiening van het verzoek op 8 maart 2008, de juiste ingangsdatum van de draagkrachtmeting vastgesteld. Niet gebleken is van omstandigheden die aan een eerder verzoek om draagkrachtmeting, desnoods door tussenkomst van een derde, in de weg hebben gestaan. Van zodanig bijzondere omstandigheden dat de Minister toepassing had behoren te geven aan de hardheidsclausule is evenmin gebleken. Afwijzing van het verzoek om kwijtschelding. Appellant voldoet niet aan het door de Minister ontwikkelde beleid waarbij de in de wet voorziene gevallen waarin een studieschuld niet behoeft te worden terugbetaald zijn uitgebreid met een drietal situaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/600 WSF en 11/732 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2010, 09/1529 (aangevallen uitspraak 1) en

15 december 2010, 09/1603 (aangevallen uitspraak 2),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak: 24 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Michielsen, advocaat, tegen beide aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2012. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Voor de Minister is verschenen mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 8 maart 2008 heeft appellant de Minister verzocht om zijn studieschuld kwijt te schelden.

1.2. De Minister heeft dit verzoek opgevat als zowel een verzoek om kwijtschelding als een verzoek om draagkrachtmeting. Ter zake van de draagkrachtmeting heeft de Minister appellant op 21 april 2008 een formulier draagkrachtmeting toegezonden. Appellant heeft dit formulier op 20 mei 2009 ingevuld retour gezonden.

1.3. Bij besluit van 8 juni 2009, gevolgd door een Bericht terugbetalen van 6 juli 2009, heeft de Minister het op basis van appellants draagkracht maandelijks ter aflossing van zijn studieschuld te betalen bedrag met ingang van 1 april 2008 vastgesteld op nihil.

1.4. Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft de Minister het verzoek om kwijtschelding afgewezen.

1.5. De tegen het Bericht terugbetalen van 6 juli 2009 en het besluit van 25 augustus 2009 ingediende bezwaren zijn door de Minister bij besluiten van achtereenvolgens 2 oktober 2009 en 19 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 oktober 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de draagkrachtvaststelling heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.10 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat appellant niet eerder om draagkrachtmeting heeft kunnen verzoeken is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 oktober 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet voldoet aan het door de Minister ontwikkelde beleid waarbij de in de wet voorziene gevallen waarin een studieschuld niet behoeft te worden terugbetaald zijn uitgebreid met een drietal situaties:

- indien er sprake is van het lijden aan een terminale ziekte met de verwachting van overlijden binnen een jaar;

- indien betrokkene gedurende lange tijd in coma ligt; en

- indien het gaat om een psychiatrische patiƫnt die is opgenomen in een inrichting en waarbij de situatie uitzichtloos is.

Met betrekking tot dit beleid heeft de rechtbank overwogen dat dit naar vaste rechtspraak is geaccepteerd. Tevens dient dit beleid terughoudend te worden getoetst. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van appellant geen sprake van een situatie zoals omschreven in het beleid. Nu de Minister naar het oordeel van de rechtbank in de omstandigheden van appellant ook geen aanleiding heeft hoeven zien om van het beleid af te wijken, heeft de Minister het verzoek van appellant om zijn studieschuld kwijt te schelden in redelijkheid mogen afwijzen.

3.1.1. Appellant heeft in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 aangevoerd dat de termijn waarbinnen op zijn verzoek om draagkrachtmeting een beslissing had moeten worden genomen is overschreden, waardoor appellant in een nadelige processuele positie is beland, en dat het verzoek - daarom - moet worden geacht met terugwerkende kracht tot

1 januari 2008 te zijn gehonoreerd.

3.1.2. De Raad kan appellant hierin niet volgen. De onder 1.1 genoemde brief van appellant bevat niet een concreet verzoek om draagkrachtmeting. Desondanks heeft de Minister de brief - tevens - als een zodanig verzoek van appellant opgevat en hem op 21 april 2008 een draagkrachtmetingsformulier toegezonden. Dat formulier is eerst op 20 mei 2009 ingevuld geretourneerd, waarna de Minister daarop binnen de in artikel 6.10, vierde lid, van de Wsf 2000 neergelegde termijn van

8 weken een beslissing heeft genomen. Gelet op het bepaalde in het derde lid van artikel 6.10 van de Wsf 2000 heeft de Minister daarbij, ten gunste van appellant uitgaand van indiening van het verzoek op 8 maart 2008, de juiste ingangsdatum van de draagkrachtmeting vastgesteld. Niet gebleken is van omstandigheden die een eerder verzoek om draagkrachtmeting, desnoods door tussenkomst van een derde, aan de weg hebben gestaan. Van zodanig bijzondere omstandigheden dat de Minister toepassing had behoren te geven aan de hardheidsclausule is evenmin gebleken.

3.2.1. Tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellant aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Hij heeft daarbij verwezen naar een brief van psychiater J.C.M. Loos van 9 oktober 2009.

3.2.2. Ook hier heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Met juistheid heeft de rechtbank verwezen naar de vaste rechtspraak met betrekking tot het door de Minister gevoerde beleid, inhoudende dat dit begunstigende beleid tegen de achtergrond van hetgeen wettelijk is geregeld niet als onredelijk kan worden aangemerkt.

Met de rechtbank acht de Raad de situatie van appellant niet zodanig dat de Minister op grond daarvan een uitzondering op zijn beleid had behoren te maken. De brief van psychiater Loos leidt niet tot een andere conclusie.

3.3. Uit hetgeen is overwogen in 3.1.1 tot en met 3.2.2 volgt dat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) J.R. Baas.

KR