Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7655

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
10-5936 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is zorgvuldig verricht en er is in voldoende mate rekening gehouden met de beperkingen van appellant. Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit zijn de geduide functies in medisch opzicht passend. Aangezien eerst in beroep een afdoende arbeidskundige motivering is gegeven ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de door appellant in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5936 WAO (gerectificeerde uitspraak)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2010, 09/4220 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 30 maart 2009 heeft het Uwv de aan appellant toegekende WAO-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 31 mei 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2. Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het besluit van 30 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2009 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft zich op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant op juiste wijze heeft plaatsgevonden en dat met die beperkingen in voldoende mate rekening is gehouden in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat appellant pas in beroep melding heeft gemaakt van tintelingen in zijn hand/pols, arm, hele been en enkel. Nu appellant niet op de hoorzitting aanwezig is geweest en hij die klachten dus niet naar voren heeft gebracht, komt dat voor zijn risico. De rechtbank heeft geen reden gezien om appellant te volgen in zijn stelling dat er psychische beperkingen opgenomen hadden moeten worden. Appellant heeft pas in beroep aangevoerd dat hij onder behandeling is bij een psychiater. Bovendien heeft appellant geen medische stukken ingediend die zijn stelling dat de FML niet juist is, onderbouwen.

De rechtbank heeft tot slot overwogen dat de geduide functies passend zijn voor appellant.

3. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de FML geen recht doet aan zijn beperkingen. Hij is meer beperkt dan is aangenomen. Appellant is niet onderzocht in de bezwaarfase omdat hij toen op vakantie was. Het Uwv had met zijn vakantie rekening moeten houden.

Appellant heeft slechts een lagere schoolopleiding en drie jaar voortgezet onderwijs in Tunesië gevolgd. Hij beschikt derhalve niet over een VMBO-niveau, zodat de functies produktiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc 272043) en wikkelaar, samensteller electronische apparatuur (Sbc 267050) niet passend zijn. Daarnaast wordt in de functie produktiemedewerker industrie (samenstellen van produkten) (Sbc 111180) vereist dat appellant Nederlands kan lezen en begrijpen. Appellant kan wel wat Nederlands spreken, maar niet lezen. Om die reden is ook die functie niet passend.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht en dat in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellant. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportages blijkt dat de (bezwaar)verzekeringsartsen op de hoogte waren van de bij appellant aanwezige psychische en lichamelijke beperkingen. Met hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zijn beperkingen zijn onderschat. De informatie van de behandelend cardioloog van 28 maart 2010 en 10 mei 2011 leidt evenmin tot de conclusie dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen, reeds omdat deze geen gegevens bevat over de datum in geding van 31 mei 2009. De grond van appellant dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is te achten omdat hij niet bij de hoorzitting aanwezig was, slaagt niet. De hoorzitting maakt op zich geen deel uit van het medisch onderzoek. Wel kan er aanleiding zijn om op basis van tijdens de hoorzitting bekend geworden gegevens nader medisch onderzoek te verrichten. In het onderhavige geval heeft de gemachtigde van appellant de hoorzitting bijgewoond en is in de gelegenheid geweest om alle relevante gegevens te vermelden. Dat de voorhanden gegevens geen aanleiding hebben gevormd voor nader medisch onderzoek van appellant na terugkeer van vakantie, vormt op zich geen aanwijzing dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geschied.

4.3.1. Met betrekking tot de grond van appellant dat hij niet over een VMBO-niveau beschikt, overweegt de Raad dat de Raad in zijn uitspraak van 11 november 2009 (07/4566 WAO + 07/5567 WAO) in een procedure tussen appellant en het Uwv heeft vastgesteld dat appellant op een VMBO-niveau kan functioneren. De Raad volstaat met te verwijzen naar die uitspraak.

4.3.2. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de functie produktiemedewerker industrie niet passend is omdat in die functie Nederlands moet kunnen worden gelezen en begrepen. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 29 juni 2005 blijkt dat appellant een cursus Nederlands heeft gevolgd en dat hij die afgesloten heeft met een diploma. Met dit gegeven, in combinatie met zijn opleidingsniveau, komt de Raad tot het oordeel dat hij in staat is in voldoende mate Nederlands te lezen en te begrijpen om die functie te vervullen.

4.4. De rechtbank heeft overwogen dat de functies, uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het besluit van 4 augustus 2009 in medisch opzicht passend zijn. De Raad volgt dit oordeel van de rechtbank.

5. Gelet op 4.2 tot en met 4.4 komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. Aangezien eerst in beroep een afdoende arbeidskundige motivering is gegeven ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de door appellant in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.518,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.518,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en T.L. de Vries en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) J.R. Baas.

KR