Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7648

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
10-5575 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO-uitkering. Appellante heeft haar bezwaren tegen het intrekkingsbesluit eerst na verloop van de bezwaartermijn kenbaar gemaakt. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het Uwv appellante niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar bezwaren tegen het intrekkingsbesluit. Er is in het geval van appellante niet gebleken van een dringende reden die aan terugvordering in de weg staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5575 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2010, 10/855 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 2 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. Schroeder een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Schroeder. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 24 juni 2009 (intrekkingsbesluit) heeft het Uwv de ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellante toegekende arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 1 november 2007 ingetrokken.

1.2. Bij besluit van 1 juli 2009 (terugvorderingsbesluit) heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij ten onrechte WAO-uitkering heeft ontvangen over de periode van 1 november 2007 tot en met 31 december 2008 ten bedrage van

€ 7.339,12 bruto en over de periode van 1 januari 2009 tot 1 juli 2009 ten bedrage van € 3.157,96 netto en beslist dat appellante deze bedragen moet terugbetalen.

1.3. Bij brief van 4 augustus 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.4. Bij besluit van 1 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het intrekkingsbesluit en het terugvorderingsbesluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, doch enkel voor zover gericht tegen (de handhaving van) het intrekkingsbesluit en het bezwaar tegen dit besluit alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Over de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit heeft de rechtbank het volgende overwogen. Met de brief van 4 augustus 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het terugvorderingsbesluit. De gemachtigde van appellante heeft op 10 november 2009 telefonisch aan het Uwv meegedeeld dat het bezwaar tevens gericht was tegen het intrekkingsbesluit en eerst bij brief van 14 december 2009, overgelegd ter zitting, zijn bezwaren geuit tegen het intrekkingsbesluit. Op de voet van de artikelen 6:7 jo 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eindigde de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit op 5 augustus 2009 zodat bij het maken van bezwaar tegen dit besluit de termijn was overschreden. Met toepassing van artikel 6:11 van de Awb is de rechtbank vervolgens van oordeel dat appellante redelijkerwijs in verzuim is geweest en het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk had dienen te verklaren.

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante zich met name gekeerd tegen de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit en hiertoe het volgende aangevoerd. Het is juist dat appellante in haar brief van

4 augustus 2009 slechts heeft aangeknoopt bij het terugvorderingsbesluit en het intrekkingsbesluit in het geheel niet heeft genoemd. Maar appellante was het ook oneens met de intrekking van haar WAO-uitkering en haar gemachtigde heeft haar bezwaren tegen het intrekkingsbesluit later uitgewerkt. Appellante beroept zich op het beginsel van rechtsgelijkheid onder verwijzing naar een uitspraak van 1 december 2009 van de rechtbank Rotterdam in een volgens haar identieke zaak. In deze zaak werd een bezwaar gericht tegen een besluit tot terugvordering van een uitkering aangemerkt als mede gericht tegen het daaraan voorafgaande besluit tot beëindiging van deze uitkering omdat betrokkene in het bezwaarschrift tegen het terugvorderingsbesluit tevens gronden had vermeld tegen de beëindiging van de uitkering. Deze uitspraak heeft appellante later in het geding gebracht (proces-verbaal van de mondelinge uitspraak d.d. 1 december 2009 in de zaak met

reg. nr. AWB 09/943 WWB-T2-BRG, niet gepubliceerd).

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Niet in geschil is dat appellante zowel het intrekkingsbesluit als het terugvorderingsbesluit heeft ontvangen. Over het bestaan van twee afzonderlijke besluiten kon bij appellante ten tijde van het schrijven van de brief van 4 augustus 2009 dan ook geen misverstand bestaan. In de brief van 4 augustus 2009 noemt appellante desalniettemin alleen het terugvorderingsbesluit. De brief begint met: “Betreft: uw brief (…) van 1 juli jl., terugbetalen teveel ontvangen uitkering” en eindigt met de conclusie dat de terugvordering onterecht is. Uit het lichaam van de brief van 4 augustus 2009 valt evenmin af te leiden dat appellante gronden aanvoert tegen het intrekkingsbesluit: zij verwijst hierin juist weer naar “de brief van 1 juli” (het terugvorderingsbesluit). Tegen deze achtergrond kan de brief van 4 augustus 2009 niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het intrekkingsbesluit. Van een identieke zaak zoals betoogd door de gemachtigde van appellante is alleen al daarom geen sprake. Het moet er dan ook voor worden gehouden, zoals overwogen in de aangevallen uitspraak, dat appellante haar bezwaren tegen het intrekkingsbesluit eerst na verloop van de bezwaartermijn kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het Uwv appellante niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar bezwaren tegen het intrekkingsbesluit. De hiertegen gerichte grond faalt.

4.3. De hoogte van de in het terugvorderingsbesluit genoemde bedragen aan ten onrechte ontvangen WAO-uitkering zijn niet in geschil. Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO is het Uwv gehouden een uitkering die onverschuldigd is betaald, terug te vorderen. Van deze verplichting kan ingevolge artikel 57, vierde lid van de WAO alleen geheel of gedeeltelijk worden afgezien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Van een dringende reden kan slechts sprake zijn indien de terugvordering voor appellante tot onaanvaardbare gevolgen zal leiden. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er in het geval van appellante niet is gebleken van een dringende reden die aan terugvordering in de weg staat. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad geen (nadere) gronden ontwaren die duiden op onaanvaardbaarheid voor appellante van de gevolgen van de terugvordering. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit voor zover gericht tegen de handhaving van het terugvorderingsbesluit dan ook terecht ongegrond geacht.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) G.J. van Gendt.

JL