Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
10/4663 AKW + 10/7016 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening recht op kinderbijslag. Terugvordering. Uit het rapport van de sociaal attaché in Turkije blijkt op overtuigende wijze dat de echtgenote van appellant vanaf 2004 en in ieder geval in de kwartalen in geding met de kinderen in Turkije heeft gewoond. De Svb mocht uitgaan van de juistheid van de verklaring van appellants echtgenote van 18 maart 2009 en hoefde geen gewicht toe te kennen aan de in bezwaar overgelegde, latere verklaring. Het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellants echtgenote bevond zich in Turkije en de kinderen behoorden tot haar huishouden daar. Nu de kinderen tot het huishouden van appellants echtgenote in Turkije behoorden, is met ingang van het derde kwartaal van 2007 niet voldaan aan de voorwaarden voor het recht op tweevoudige kinderbijslag. Boete. Appellant heeft zijn inlichtingenplicht niet heeft nageleefd. Geen reden voor een lager invorderingsbedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4663 + 10/7016 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli 2010, 10/86 (aangevallen uitspraak 1) en

18 november 2010, 10/700 (aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 17 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen beide aangevallen uitspraken.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2011. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft voor zijn kind [S.], geboren [in] 1991, met ingang van het derde kwartaal van 2007, en voor zijn kind [I.], [in] 1992, met ingang van het vierde kwartaal van 2007, tweevoudige kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd op de grond dat deze kinderen, in verband met het onderwijs dat zij volgen in Ankara, uitwonend zijn. Bij besluit van 2 oktober 2007 is met ingang van het derde kwartaal van 2007 voor [S.] tweevoudige kinderbijslag toegekend. Bij besluit van 10 december 2007 is met ingang van het vierde kwartaal van 2007 voor [I.] tweevoudige kinderbijslag toegekend.

1.2. In het kader van onderzoeken naar uitwonende kinderen waarvoor tweevoudige kinderbijslag is toegekend, is aan de sociaal attaché verbonden aan de Nederlandse ambassade te Ankara verzocht een onderzoek in te stellen. Uit het rapport van 23 maart 2009 van de sociaal attaché blijkt dat twee medewerkers van de sociaal attaché op 18 maart 2009 een bezoek hebben gebracht aan de onderwijsinstelling waar [S.] volgens opgave onderwijs zou volgen, waarbij zij de onderdirecteur hebben gesproken. De onderdirecteur heeft verteld dat [S.] inderdaad onderwijs heeft gevolgd aan zijn onderwijsinstelling maar dat zij met ingang van 2 februari 2009 de school heeft verlaten.

De ambassademedewerkers hebben dezelfde dag een bezoek gebracht aan de onderwijsinstelling waar [I.] volgens opgave onderwijs zou volgen, waarbij zij de onderdirecteur hebben gesproken. De onderdirecteur heeft bevestigd dat [I.] onderwijs volgt aan zijn onderwijsinstelling en heeft [I.] opgeroepen. [I.] heeft vervolgens jegens de ambassademedewerkers verklaard dat hij en zijn zus [S.] samen met hun moeder al sinds het jaar 2004 in Turkije wonen, dat zij eerst een jaar in de stad [plaatsnaam 1] hebben gewoond, dat zij sinds 2005 in [plaatsnaam 2] wonen en dat zijn vader in Nederland woont. De onderdirecteur heeft als verzorger van [I.], appellants echtgenote, wonende te [plaatsnaam 2] genoemd. De ambassademedewerkers zijn aansluitend naar het door de onderdirecteur opgegeven woonadres van de kinderen gegaan, alwaar appellants echtgenote werd aangetroffen. Appellants echtgenote heeft verklaard dat zij en de kinderen [S.] en [I.] sinds 2004 in Turkije wonen. Vanaf dat jaar heeft zij overwegend in Turkije bij haar kinderen verbleven. De verklaring van appellants echtgenote is op schrift gesteld en door haar ondertekend.

1.3. Vervolgens heeft de Svb een onderzoek laten instellen naar de feitelijke woonsituatie van appellant. Op 6 april 2009 hebben twee medewerkers van de afdeling Fraudeonderzoek en Opsporing een bezoek gebracht aan het door appellant opgegeven woonadres in [plaatsnaam 3]. Appellant is niet aanwezig. Hij neemt desgevraagd op 14 april 2009 telefonisch contact op met de Svb. In dat gesprek deelt hij mee geen bezoek aan huis te willen hebben en naar de Svb te willen komen. Hij deelt voorts mee dat zijn echtgenote geen Nederlands spreekt. Als hij verneemt dat de Svb voor een tolk kan zorgen, stelt hij dat zijn echtgenote niet meekomt omdat zij in Turkije is.

Op woensdag 15 april 2009 heeft appellant ten kantore van de Svb verklaard dat zijn echtgenote vanaf 2004 in Turkije woonachtig is bij zijn kinderen en dat haar verblijf in Turkije nimmer langer dan zes maanden per jaar is geweest. Appellant stelt aangaande de verblijfplaats van zijn echtgenote geen bewijzen meer te hebben.

1.4. Bij een eerste besluit van 18 juni 2009 heeft de Svb het recht op kinderbijslag herzien en vastgesteld dat appellant vanaf het derde kwartaal van 2007 slechts recht heeft op enkelvoudige kinderbijslag voor [S.]. Er is niet voldaan aan de voorwaarden voor tweevoudige kinderbijslag, omdat [S.] bij de andere ouder woont. Bij een tweede besluit van

18 juni 2009 heeft de Svb het recht op kinderbijslag herzien en vastgesteld dat appellant vanaf het vierde kwartaal van 2007 slechts recht heeft op enkelvoudige kinderbijslag voor [I.].

1.5. Bij brief van eveneens 18 juni 2009 is aangekondigd dat de teveel betaalde kinderbijslag zal worden teruggevorderd en dat een boete zal worden opgelegd. Vervolgens is op 12 januari 2010 het terugvorderingsbesluit genomen waarbij een bedrag van € 4.382,07 van appellant wordt teruggevorderd. Tevens is een boetebesluit genomen op grond waarvan appellant een boete van € 440,00 dient te betalen. Tot slot is aan appellant meegedeeld hoe de invordering zal plaatsvinden. Na verrekening met de kinderbijslag over het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2009, resteert een bedrag van € 3.882,32. Op grond van het inkomensonderzoek komt de Svb tot de invordering van een bedrag van € 323,53 per maand vanaf februari 2010, gedurende twaalf maanden.

1.6. Appellant heeft tegen de besluiten van 18 juni 2009 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij bestreden dat zijn echtgenote overwegend in Turkije is geweest en bij de kinderen heeft verbleven. Appellant heeft gesteld dat de kinderen vanaf september 2004 in Turkije verblijven in verband met het volgen van onderwijs. Vanaf april 2006 tot 10 september 2007 hebben de kinderen bij hun oma in [plaatsnaam 1] gewoond. Vanaf september 2007 wonen de kinderen zelfstandig in [plaatsnaam 2] en heeft hun moeder minder dan zes maanden per jaar bij hen verbleven. Door appellant is een vliegticket overgelegd waaruit zou blijken dat appellants echtgenote van 3 juni 2008 tot 3 november 2008 in Turkije heeft verbleven. Voorts zijn twee in het Turks gestelde stukken overgelegd waaruit zou blijken dat volgens de bevolkingsadministratie de kinderen op

10 september 2007 naar [plaatsnaam 2] zijn verhuisd.

1.7. Tijdens de hoorzitting heeft appellant een schriftelijke verklaring van zijn echtgenote overgelegd. Daarin verklaart zij in grote lijnen conform de verklaring van haar echtgenoot.

1.8. Bij besluit op bezwaar van 9 december 2009 (besluit 1) is het bezwaar tegen de besluiten van 18 juni 2009 ongegrond verklaard. Op basis van het onderzoek in Turkije, waaronder de verklaring van 18 maart 2009 van appellants echtgenote, wordt geconcludeerd dat appellants echtgenote in Turkije een huishouding met [S.] en [I.] heeft gevormd. Op die grond heeft appellant met ingang van het derde kwartaal van 2007 en het vierde kwartaal van 2007 geen recht op tweevoudige kinderbijslag voor respectievelijk [S.] en [I.]. Aan de door appellant overgelegde nadere verklaring van zijn echtgenote is geen doorslaggevende betekenis toegekend.

1.9. Bij besluit op bezwaar van 19 maart 2010 (besluit 2) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van

12 januari 2010 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb terecht geconcludeerd dat [S.] en [I.] in de in geding zijnde kwartalen in Turkije bij hun moeder verbleven, waardoor ten aanzien van hen geen recht bestond op tweevoudige kinderbijslag.

2.2. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 2 het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Voor de gronden die zien op besluit 1 - de herziening - heeft de rechtbank verwezen naar aangevallen uitspraak 1. De gronden met betrekking tot de terugvordering, de boete en de invordering treffen naar het oordeel van de rechtbank geen doel.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen aangevallen uitspraak 1 gekeerd. Appellant heeft daarbij, onder andere, gewezen op de zijnerzijds in beroep ingebrachte tweede vertaling van de verklaring van zijn echtgenote van 18 maart 2009, die afwijkt van de eerste - in opdracht van de Svb opgemaakte - vertaling. Voorts heeft hij gewezen op de tweede, in bezwaar overgelegde, verklaring van zijn echtgenote.

Met betrekking tot aangevallen uitspraak 2 heeft appellant gronden aangevoerd die zien op de herziening zoals neergelegd in besluit 1 en op aangevallen uitspraak 1. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de boete ten onrechte is opgelegd omdat hij geen onjuiste informatie heeft verschaft. Tot slot heeft appellant gesteld dat het maandelijkse bedrag van de invordering te hoog is nu geen rekening is gehouden met zijn woonlasten.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 7, derde lid, sub a, van de AKW, heeft de verzekerde recht op tweevoudige kinderbijslag als een kind jonger is dan 16 jaar en door of in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding niet tot het huishouden van de verzekerde behoort en noch tot het huishouden van een ander. Ingevolge artikel 7, derde lid, sub b, van de AKW, heeft de verzekerde recht op tweevoudige kinderbijslag als een kind 16 of 17 jaar is en niet tot het huishouden van de verzekerde behoort noch tot het huishouden van een ander.

4.3. Niet in geschil is dat [S.] en [I.] niet tot het huishouden van appellant behoorden. Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de kinderen - kort gezegd - vanaf het derde kwartaal van 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2009 behoorden tot het huishouden van appellants echtgenote, in Turkije.

4.4. De Raad is van oordeel dat uit het rapport van de sociaal attaché in Turkije op overtuigende wijze blijkt dat de echtgenote van appellant vanaf 2004 en in ieder geval in de kwartalen in geding - het derde kwartaal van 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2009 - met voornoemde kinderen in Turkije heeft gewoond. De Raad hecht hierbij belang aan de verklaringen van appellants echtgenote van 18 maart 2009 en de verklaring van zijn zoon [I.] van dezelfde datum. Zij hebben onafhankelijk van elkaar verklaard dat de echtgenote sinds 2004 met de kinderen in Turkije woont. Deze verklaringen worden bovendien bevestigd door de verklaring van de onderdirecteur van [I.]s onderwijsinstelling dat appellants echtgenote de verzorger van [I.] is.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de Svb mocht uitgaan van de juistheid van de verklaring van appellants echtgenote van 18 maart 2009 en geen gewicht hoefde toe te kennen aan de in bezwaar overgelegde, latere verklaring. Naar vaste rechtspraak van de Raad mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring (CRvB 22 februari 2011, LJN BP5715). In het onderhavige geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot het maken van een uitzondering op dit algemene uitgangspunt aanleiding geven. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat de door appellant ingebrachte vertaling van de verklaring van 18 maart 2009 in essentie niet verschilt van de vertaling door de Svb: de echtgenote van appellant verklaart in beide vertalingen dat zij sinds 2004 met [S.] en [I.] overwegend in Turkije verblijft en dat zij af en toe naar Nederland gaat voor bezoek. Hieruit concludeert de Raad dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellants echtgenote zich in Turkije bevond en dat de kinderen tot haar huishouden daar behoorden. Het door appellant overgelegde vliegticket heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden, reeds omdat de kopie zeer slecht leesbaar is, het ticket niet volledig is ingevuld, de data onvolledig zijn en een deel van het ticket bedekt is met een stuk papier met onder andere de mededeling dat de datum van de terugvlucht vanuit Turkije nog niet vastligt. Er kan uit dit stuk slechts worden afgeleid dat appellants echtgenote op 3 juni 2008 van Düsseldorf naar [plaatsnaam 1] is gevlogen.

4.5. Nu de kinderen tot het huishouden van appellants echtgenote in Turkije behoorden, is met ingang van het derde kwartaal van 2007 niet voldaan aan de voorwaarden voor het recht op tweevoudige kinderbijslag. Op grond van artikel 14a van de AKW is de Svb gehouden een besluit tot toekenning van kinderbijslag te herzien, indien het niet nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt om die reden niet.

5.1. Met betrekking tot de gronden tegen aangevallen uitspraak 2 verwijst de Raad, voor zover de gronden zien op de herziening van het recht op kinderbijslag zoals neergelegd in besluit 1, naar hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5.

5.2. Ook met betrekking tot de grond dat de boete ten onrechte is opgelegd, verwijst de Raad naar hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat [S.] en [I.] tot het huishouden van appellants echtgenote behoorden ten tijde in geding. Appellant heeft dat niet meegedeeld aan de Svb, waardoor hij de inlichtingenplicht van artikel 15 van de AKW niet heeft nageleefd en een boetebesluit op grond van artikel 17a van de AKW diende te worden genomen. Met betrekking tot de grond gericht tegen het invorderingsbesluit, dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een bedrag van € 500,- huur per maand, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, ook indien met een dergelijk bedrag wel rekening zou worden gehouden, dit niet tot een ander maandelijks invorderingsbedrag zou hebben geleid. Dit nog los van het feit dat appellant tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat hij bij zijn broer inwoont en dat hij alleen huur betaalt als hij dit kan en anders geen huur betaalt. Appellant heeft zijn nadere stelling dat hij huur betaalt niet met stukken onderbouwd.

6. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat aangevallen uitspraken 1 en 2 voor bevestiging in aanmerking komen.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H. Bolt en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van

H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2012.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) H.L. Schoor.

TM