Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
10-4514 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY3343
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen onder toepassing van een korting van 86%. De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat appellante op grond van de geldende regelgeving sinds 1965 niet verzekerd was voor de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4514 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Duitsland (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2010, 09/161 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 2 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2012. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is geboren [in] 1943 en woont sinds 30 oktober 1965 in Duitsland. Bij besluit van

29 september 2008 heeft de Svb appellante met ingang van november 2008 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Daarbij is ten opzichte van een volledig pensioen een korting toegepast van 86% omdat appellante sinds 30 oktober 1965 niet verzekerd was.

1.2. Bij het bestreden besluit van 15 december 2008 heeft de Svb zijn besluit van 29 september 2008 na bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante sinds 30 oktober 1965 niet verzekerd was voor de AOW omdat zij niet in Nederland woonde, noch loonbelasting betaalde ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid. Verder ontleende appellante geen verzekering aan de door haar vanaf 1993 ontvangen (pro rata) uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), nu niet is voldaan aan de daarvoor in artikel 8 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 gestelde eisen en ook niet aan de eisen, gesteld in artikel 26 van het (opvolgende) Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het feit dat er gedurende een periode ten onrechte premies op de WAO-uitkering van appellante zijn ingehouden, hierin geen verandering brengt. De rechtbank heeft ten slotte opgemerkt dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad op de Svb geen verplichting rustte om appellante ten tijde van haar verhuizing naar Duitsland te informeren over de gevolgen daarvan voor haar verplichte verzekering voor de volksverzekeringen, waaronder de AOW.

3.1. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Naar aanleiding van het hoger beroep overweegt hij nog het volgende.

3.2. Appellante heeft naar voren gebracht dat zij voor haar vertrek naar Duitsland in Nederland (als vrijwilliger) werkzaamheden heeft verricht voor de reserve-gemeentepolitie en het korps luchtwachtdienst. Zij heeft er verder op gewezen dat zij in Nederland kiesgerechtigd is en hier haar inkopen doet. Voor zover appellante hiermee heeft beoogd te stellen dat zij een band met de Nederlandse samenleving had en deze ook na haar verhuizing naar Duitsland heeft behouden, merkt de Raad op dat men slechts verzekerd is voor de AOW indien aan bepaalde eisen is voldaan. De rechtbank heeft bezien of appellante aan die eisen voldeed. De Raad kan niet anders dan vaststellen dat de rechtbank op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante op grond van de geldende regelgeving sinds 1965 niet verzekerd was voor de AOW. Dat appellante een band met Nederland heeft behouden, is hiervoor niet van belang.

3.3. Voor het overige bevat het hoger beroep een herhaling van wat in eerste aanleg aan de orde is geweest. Dit behoeft geen verdere bespreking.

3.4. Het onder 3.1 tot en met 3.3 besprokene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2012.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) I.J. Penning.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

IvR