Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7609

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
10-2522 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX9203, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen en een partnertoeslag, waarbij de toeslag met 70% is gekort. De echtgenote van appellant was over de periode van haar 15e verjaardag tot 1 mei 2000 niet verzekerd was voor de AOW. De hoogte van de partnertoeslag is afhankelijk van het aantal jaren waarin de partner vanaf het 15e levensjaar verzekerd is geweest voor de AOW. Het feit dat appellant kostwinner is kan daaraan niet afdoen. Geen sprake van ontneming van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren, kan als een gerechtvaardigd doel voor indirect onderscheid worden gekwalificeerd. De omstandigheid dat op een origineel dossierstuk een aantekening is gemaakt - daargelaten de onwenselijkheid ervan - kan niet leiden tot een ander oordeel over de aanspraken van appellant op grond van de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2522 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 maart 2010, 09/1027 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 2 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2011.

Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is geboren [in] 1944 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn echtgenote, [naam echtgenote], geboren [in] 1949, heeft de Nederlandse en Poolse nationaliteit. Zij heeft tot en met 30 april 2000 in Polen gewoond en woont sindsdien in Nederland. Appellant heeft in december 2008 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Bij besluit van 24 december 2008 is een AOW-pensioen en een partnertoeslag toegekend, waarbij de toeslag met 70% is gekort.

1.2. Het bezwaar is bij besluit van 21 september 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat de korting terecht is toegepast. De rechtbank heeft overwogen dat de echtgenote over de periode van haar 15e verjaardag tot 1 mei 2000 niet verzekerd was voor de AOW. Naar het oordeel van de rechtbank dient artikel 13 van de AOW onverkort toepassing te vinden. Deze bepaling is dwingendrechtelijk van aard. Het betalen van premie is niet doorslaggevend. De rechter mag de innerlijke waarde van de wet niet beoordelen. De rechtbank is niet gebleken van strijd met hogere regelgeving of het vertrouwensbeginsel.

3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat recht bestaat op een volledig AOW-gehuwdenpensioen. Appellant heeft aangevoerd dat hij kostwinner is. Appellant stelt dat zijn pensioenrechten zonder schadeloosstelling zijn onteigend. Door de korting op de partnertoeslag wordt zijn persoonlijke levenssfeer ontregeld en wordt appellant in zijn bestaanszekerheid aangetast. Appellant stelt dat hij wordt gediscrimineerd ten opzichte van mensen zonder inkomen die niet worden gekort op hun AOW-pensioen. Appellant doet hierbij een beroep op de artikelen 1, 10, 14, 20 en 22 van de Grondwet.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De hoogte van de partnertoeslag is afhankelijk van het aantal jaren waarin de partner vanaf het 15e levensjaar verzekerd is geweest voor de AOW. Dit volgt uit artikel 13 van de AOW. Het feit dat appellant kostwinner is kan daaraan niet afdoen.

4.2. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van ontneming van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De echtgenote was in de periode voordat zij in Nederland woonde geen ingezetene als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW. Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote ook op andere grond niet verzekerd was. Bij gebreke van verzekering van de echtgenote in die periode, is geen sprake van een eigendom in de zin van artikel 1 van het EP.

4.3. De stelling van appellant dat hij wordt gediscrimineerd begrijpt de Raad als een beroep op (indirecte) discriminatie naar nationaliteit.

De Raad laat in het midden of sprake is van vergelijkbare gevallen, omdat naar zijn oordeel voor het indirecte onderscheid een toereikende objectieve rechtvaardiging bestaat. De Raad heeft eerder overwogen - in onder meer zijn uitspraak van

3 januari 2008, LJN BH5599 - dat het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren, als een gerechtvaardigd doel kan worden gekwalificeerd. Daarbij merkt de Raad op dat - anders dan in de genoemde uitspraak - geen sprake is van toepassing van gewijzigde (lagere) regelgeving, maar slechts van toepassing van de onveranderde hoofdregel van ingezetenschap, die is neergelegd in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW. Naar het oordeel van de Raad is het daarvoor gekozen middel, uitsluiting van de verzekering van niet-ingezetenen, geschikt en proportioneel.

4.4. De Raad zal voorts in het midden laten of sprake is van een inbreuk op de privé- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, nu gelet op de voorgaande overwegingen daarvoor een toereikende objectieve rechtvaardiging bestaat.

4.5. Door de Raad kan niet worden beoordeeld of de korting op de partnertoeslag in strijd is met de door appellant genoemde bepalingen van de Grondwet, nu de rechter ingevolge artikel 120 van de Grondwet niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten. De Raad heeft daarom de rechtsgronden aangevuld met bepalingen uit het EVRM.

4.6. Appellant heeft gesteld dat de Svb zich heeft bediend van vervalste documenten en verzocht om een kopie van de door hem ingediende aanvraag. De Raad stelt vast dat in de beroepsfase kopieën van de door de Svb overgelegde stukken aan appellant zijn toegezonden, waaronder een kopie van de aanvraag. De Raad begrijpt dat appellant met zijn stelling doelt op een telefoonnummer dat volgens appellant door een medewerker van de Svb op de aanvraag is aangebracht. De omstandigheid dat op een origineel dossierstuk een aantekening is gemaakt - daargelaten de onwenselijkheid ervan - kan niet leiden tot een ander oordeel over de aanspraken van appellant op grond van de AOW.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2012.

(get.) E.E.V. Lenos.

(get.) J.R. Baas.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

JL