Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7594

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
10-2098 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX7799
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AOW-pensioen. Appellante was niet verplicht of vrijwillig verzekerd. Volgens het geldende beleid van de Svb kan wat betreft de in geding zijnde periode alleen de eerste echtgenote aanspraak maken op huwelijkse tijdvakken, ondanks dat zij zich niet vrijwillig heeft verzekerd, en kan de tweede echtgenote alleen aanspraak maken op huwelijkse tijdvakken waarop de eerste echtgenote geen aanspraak kon maken. Niet is gebleken dat enig tijdvak bij appellante als zijnde de derde echtgenote in aanmerking zou kunnen worden genomen in het geval een zodanig tijdvak niet voor de eerste echtgenote kon gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2098 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Marokko (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2010, 09/1486 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 1 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2012.

Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren [in] 1944, was de derde echtgenote van [naam echtgenoot] ([M.]) en is [in] 1973 met hem gehuwd. [M.] heeft enige tijd in Rotterdam gewoond en gewerkt. In het aanvraagformulier van appellante om een nabestaandenuitkering is vermeld dat [M.] vanaf 1998 tot aan zijn overlijden op 19 maart 2001 in Marokko woonde. Ten tijde van zijn overlijden ontving [M.] een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Svb heeft bij besluit van 23 februari 2005 aan appellante een nabestaandenuitkering toegekend. Deze uitkering is bij besluit van de Svb van 30 juli 2008 met ingang van 1 mei 2009 vervallen omdat zij 65 jaar werd. Appellante heeft zelf niet in Nederland gewoond of gewerkt.

2. Appellante heeft het haar op 30 september 2008 toegezonden aanvraagformulier voor een AOW-uitkering ingevuld en aan de Svb opgestuurd. Bij besluit van 12 januari 2009 heeft de Svb vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een AOW-pensioen omdat zij vanaf 1 januari 1957 niet verzekerd is geweest voor de AOW.

3. De Svb heeft het door appellante tegen het besluit van 12 januari 2009 gemaakte bezwaar bij besluit van 9 maart 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb, naast de vaststellingen in het besluit van 12 januari 2009, erop gewezen dat appellante ook geen recht kan ontlenen aan het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV) omdat in geval van meer dan één weduwe alleen huwelijkse tijdvakken worden gehonoreerd van de weduwe met wie de overleden echtgenoot op 1 november 2004 (ingangsdatum van het gewijzigde NMV) het langst gehuwd zou zijn geweest. Dat was een andere echtgenote.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 9 maart 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.2. De rechtbank heeft het Nederlands wettelijk en voorts het verdragsrechtelijk kader (in dit geval het NMV) uiteengezet en in de eerste plaats vastgesteld dat appellante niet verplicht of vrijwillig verzekerd was op grond van de nationale bepalingen. De rechtbank heeft wat betreft het NMV gewezen op het beleid van de Svb over de periode voor 1 november 2004 en huwelijkse tijdvakken in geval van polygamie. Volgens dit beleid kan wat betreft die periode alleen de eerste echtgenote aanspraak maken op huwelijkse tijdvakken, ondanks dat zij zich niet vrijwillig heeft verzekerd, en kan de tweede echtgenote alleen aanspraak maken op huwelijkse tijdvakken waarop de eerste echtgenote geen aanspraak kon maken. Nu appellante terecht niet is aangemerkt als eerste echtgenote, konden voor haar, aldus de rechtbank, geen huwelijkse tijdvakken in aanmerking worden genomen.

5. In hoger beroep heeft appellante in essentie de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten herhaald. Deze komen er op neer dat appellante van mening is dat zij rechten op grond van de AOW ontleent aan het feit dat haar overleden echtgenoot, die ten tijde van zijn overlijden een AOW-uitkering ontving, in Nederland heeft gewoond en gewerkt.

6.1. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met hetgeen de rechtbank ter zake van het gestelde recht van appellante op een AOW-uitkering heeft overwogen en zoals dat samengevat is weergegeven in overweging 4.2 van deze uitspraak. De Raad voegt daar nog aan toe dat, op grond van het NMV tot het overlijden van [M.] in 2001 alleen tijdvakken in aanmerking worden genomen ten behoeve van de eerste echtgenote van [M.]. Niet is gebleken dat in die periode enig tijdvak bij appellante als zijnde de derde echtgenote in aanmerking zou kunnen worden genomen in het geval een zodanig tijdvak niet voor de eerste echtgenote kon gelden.

6.2. Overweging 6.1 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2012.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) Z. Karekezi.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

JL