Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
08-5437 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van het uitgangspunt af te wijken dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen, is niet gebleken. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat de deskundige voor haar een duurbeperking aangewezen acht. De herziening van de WAO-uitkering berust op een voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5437 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juli 2008, 08/568 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 2 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. ten Have, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige.

Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.

In reactie hierop heeft het Uwv gereageerd met een nader stuk.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. B.J.M. Vernooij, advocaat. Voorts is verschenen dr. Teunissen, verzekeringsarts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. de Rooij - Bal.

Na sluiting van het onderzoek heeft de Raad vastgesteld dat dit niet volledig is geweest en heeft hij het onderzoek heropend. De Raad heeft de psychiater/neuroloog C.J.F. Kemperman benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Deze deskundige heeft op 18 augustus 2011 een rapport van zijn onderzoek uitgebracht.

Beide partijen hebben op dit deskundigenrapport gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 20 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is vanuit een werkloosheidssituatie, tijdens een voltijdse stage, op 16 september 1996 uitgevallen met klachten als gevolg van een kaakholte-ontsteking. Nadien heeft zij multiple wisselende klachten gekregen zoals chronische vermoeidheidsklachten, duizeligheidsklachten, concentratieproblemen, misselijkheid, wazig zien, stijve (nek)spieren, slap gevoel in armen en benen, tintelingen in handen en voeten en sombere buien.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode van - toen - 52 weken is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.3. Bij besluit van 20 juni 2007 is in het kader van een herbeoordeling volgens het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434; (aSB)) de WAO-uitkering van appellante met ingang van

13 augustus 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit besluit berust op een geneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van

13 december 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is genomen na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat is verricht door de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza en arbeidskundig onderzoek, verricht door de bezwaararbeidsdeskundige J.G.W. de Wit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht en dat er geen aanwijzingen zijn dat de conclusies van dit onderzoek onjuist zijn. Omdat het Uwv pas in beroep voldoende gemotiveerd heeft uiteengezet dat drie voor appellante geselecteerde functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, geschikt zijn, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit door de rechtbank. Appellante heeft gesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Het Uwv heeft ontoereikend gemotiveerd waarom bij een gelijkblijvend ziektebeeld en onveranderde klachten, de eerder aangenomen urenbeperking van 4 uur per dag gedurende 20 uur per week, thans is komen te vervallen. Appellante is vanwege haar multiple klachten, voortkomend uit het chronisch vermoeidheidssyndroom, energetisch beperkt belastbaar en daardoor niet in staat om voltijds arbeid te verrichten. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellante, onder meer, verwezen naar een rapportage van 1 december 2010 van Teunissen, verzekeringsarts. Teunissen geeft in zijn rapportage aan dat de bij appellante gevonden (vermoeidheids)klachten passen bij een chronisch vermoeidheidssyndroom. Het bestaan van een energetische stoornis zowel in het mentale als het fysieke vlak past daarin. Tevens acht Teunissen het vanwege de wijze waarop appellante haar eigen leven heeft aangestuurd, aannemelijk dat bij haar sprake is van een psychische stoornis. Verder acht Teunissen de klachtenpresentatie consistent en het herstelgedrag van appellante adequaat. Ter ondersteuning van het standpunt dat appellant niet voltijds werkzaamheden kan verrichten, is tevens een rapportage van het Neuropsychologisch Adviesbureau

Van der Scheer van 22 maart 2010 overgelegd. Drs. E. van der Scheer is neuro-, gezondheidszorg-, arbeids- en gezondheidspsycholoog. Op grond van haar onderzoek heeft zij geconcludeerd dat er sprake is van een verminderde cognitieve belastbaarheid. Zowel Teunissen als Van der Scheer komen in hun rapportages tot de conclusie dat een belasting van 4 uur per dag voor appellante het maximaal haalbare is.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. In hoger beroep spitsen de gronden zich toe op de vraag of de medische beoordeling voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden en meer in het bijzonder of er terecht geen duurbeperking meer is opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

4.2.1. Kemperman concludeert in het deskundigenrapport dat bij appellante sprake is van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Kemperman kan in grote lijnen de verzekeringsgeneeskundige beoordeling vanuit psychiatrisch perspectief overnemen. In situatie van hoge werkdruk kunnen de klachten verergeren waardoor appellante is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Gelet op de wisselende stemmingen is er een zekere beperking ten aanzien van conflictsituaties. Verder lijkt appellante gelet op de aard van haar problematiek niet in staat om leiding te geven. Beperkingen ten aanzien van concentratie en verdelen van aandacht kunnen op het psychiatrisch onderzoek niet gefundeerd worden. Op basis van diagnostische overwegingen ziet Kemperman geen aanleiding beperkingen aan te nemen ten aanzien van een voorspelbare werkomgeving, hoog werktempo of het zicht.

4.2.2. De Raad constateert dat, zoals ook bezwaarverzekeringsarts Mirza in haar rapport van 26 augustus 2011 heeft aangegeven, alle door Kemperman aangegeven nuanceringen reeds in de FML van 2 mei 2007 zijn opgenomen.

4.3.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Voorts is de Raad van oordeel dat het onderzoek van Kemperman zorgvuldig en volledig is.

4.3.2. Appellante heeft aangevoerd dat Kemperman zich blijkens het deskundigenrapport in grote lijnen kan verenigen met de “verzekeringsgeneeskundige rapportage van Teunissen en het neuropsychologisch rapport van Van der Scheer. Appellante leidt hieruit af dat Kemperman voor haar een duurbeperking aangewezen acht welke dient te worden opgenomen in de FML. De Raad volgt appellante niet in deze stelling. Zoals blijkt uit het item “Onderzoek van de bijgesloten informatie en gedingstukken” in zijn rapport, heeft Kemperman kennisgenomen van de gedingstukken, waartoe ook de rapportages van Teunissen en Van der Scheer behoren. Uit de samenvatting van deze stukken in zijn rapport blijkt onomwonden dat Kemperman op de hoogte was van de (verschillende) standpunten van partijen. De Raad maakt dit mede op uit het feit dat Kemperman specifiek heeft vermeld dat in het verleden wel een duurbeperking is aangenomen maar bij de medische herbeoordeling in mei 2007 niet meer. De conclusie van Kemperman dat hij zich in grote lijnen kan verenigen met de “verzekeringsgeneeskundige beoordeling”, volgt logisch en consistent uit het “psychiatrisch onderzoek”, “het onderzoek naar de bijgesloten informatie en gedingstukken” en de “beschouwing” en moet mede in het licht van de - met het oog op het partijen verdeeld houdende geschilpunt - aan Kemperman voorgelegde vragen, redelijkerwijs geacht worden uitsluitend betrekking te hebben op de medische beoordeling van de zijde van het Uwv.

4.3.3. Uit het overwogene onder 4.3.1 en 4.3.2 volgt dat de herziening van de WAO-uitkering berust op een voldoende medische grondslag. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover appellante deze heeft aangevochten, zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) G.J. van Gendt.

IvR