Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
11-5130 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. De medische beperkingen van appellant zijn niet onderschat. Hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5130 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juli 2011, 10/1730 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 29 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.H. Sloof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2012 waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sloof en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, op 22 april 2010 ziek gemeld met klachten van de knie en toegenomen psychische klachten. Na onderzoek heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant stationair is ten opzichte van de beoordeling van zijn aanspraken op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (WAO) op 23 mei 2007. Hij is per 23 augustus 2010 weer geschikt voor de in dat kader geduide functies. Bij besluit van 20 augustus 2010 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 23 augustus 2010 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij per die datum geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.

1.2. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts medisch onderzoek verricht, de informatie van de orthopedisch chirurg van 8 juni 2010 in haar beoordeling betrokken en geconcludeerd dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat er meer beperkingen gelden ten aanzien van de kniebelasting dan al is opgenomen in de, in het kader van de eerdere WAO-beoordeling vastgestelde, functionele mogelijkhedenlijst (FML). Ook de toegenomen psychische klachten hebben de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven om verdergaande beperkingen aan te nemen. Het door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 oktober 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn uit het onderzoek voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel over de medische toestand van appellant per 23 augustus 2010 te komen. De rechtbank heeft in de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest of dat onvoldoende rekening is gehouden met de in het dossier aanwezige medische informatie. De in beroep door appellant overgelegde medische gegevens hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven om te twijfelen aan de beoordeling door het Uwv. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de medische informatie over een aanstaande kijkoperatie aan de knie geen ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellant op de datum hier in geding en op de beperkingen die daar misschien voor het verrichten van arbeid uit voortvloeien. De door appellant gestelde toegenomen psychische klachten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet medisch onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht vastgesteld dat appellant met ingang van 23 augustus 2010 in staat moet worden geacht tot het verrichten van ten minste één van de aan hem in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies, zodat appellant met ingang van die datum geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de ZW.

3. Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak zijn gronden van het beroep herhaald. Hij heeft met name aangevoerd dat het Uwv zijn psychische klachten en kniebeperkingen heeft onderschat. Appellant heeft tot slot aangevoerd dat hij ter onderbouwing van zijn gronden nog nadere stukken in het geding zal brengen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.2. De Raad stelt vast dat in hoger beroep in essentie dezelfde gronden zijn aangevoerd als in beroep bij de rechtbank en dat appellant, ondanks de aankondiging daartoe, geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen een voldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar de knie- en psychische klachten van appellant.

De Raad acht in dit kader van belang dat appellant door zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts is onderzocht en dat informatie van de behandelend orthopedisch chirurg door de bezwaarverzekeringsarts is meegewogen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in beroep gereageerd op nader, door appellant, overgelegde medische informatie. In haar rapport van 18 mei 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts, naar het oordeel van de Raad, overtuigend gemotiveerd waarom deze medische gegevens geen aanleiding zijn om van het primaire medische oordeel af te wijken. De Raad is het dan ook eens met de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel, dat de medische beperkingen van appellant per 23 augustus 2010 niet zijn onderschat, ten grondslag heeft gelegd. In hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 23 augustus 200 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) H.L. Schoor.

JL