Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7517

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
10/3489 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op een ZW-uitkering. Appellante is geschikt voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat, in vergelijking met haar gezondheidstoestand voor de ziekmelding, nog (langer) van een toename van haar beperkingen sprake is. Het bestreden besluit is gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek en is draagkrachtig gemotiveerd. De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten zelfstandig feitenonderzoek te doen is tevergeefs naar voren gebracht. Er is geen ruimte om in een geding zoals het onderhavige, waarin een besluit ter uitvoering van de ZW aan de orde is, de aanspraken van appellante in het kader van de WAO erbij te betrekken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3489 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2010, 09/4068 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 29 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2012. Appellante en

mr. De Jonge zijn met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als productiemedewerker tuinbouw toen zij in 2001 uitviel wegens rugklachten, psychische klachten en hoge bloeddruk. Op grond daarvan is haar per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. In het kader van een herbeoordeling is de WAO-uitkering van appellante op 22 maart 2008 ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg. Daarbij werd appellante ongeschikt geacht om haar eigen werkzaamheden te verrichten en geschikt geacht om de functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), textielproductenmaker (sbc-code 111160), lederbewerker (sbc-code 272070), inpakker (sbc-code 111190) en chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282101) te verrichten.

2. Op 11 juni 2008 heeft appellante zich vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving opnieuw ziek gemeld met rug-, schouder- en moeheidklachten en hoge bloeddruk. Nadat zij een paar keer het spreekuur van de verzekeringsarts heeft bezocht, heeft deze arts op basis van eigen onderzoek geconcludeerd dat appellante per 13 juli 2009 weer geschikt is voor het verrichten van haar arbeid, te weten één van de in het kader van de WAO geselecteerde voorbeeldfuncties. Bij besluit van 8 juli 2009 is appellante meegedeeld dat zij per 13 juli 2009 geen recht meer heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW). Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 november 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts van 16 november 2009 ten grondslag.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het medische onderzoek, mede gelet op de door appellante gemelde klachten, adequaat en zorgvuldig is geweest en dat de bevindingen de getrokken conclusie kunnen dragen. Volgens de rechtbank was er voor het Uwv geen aanleiding om de motoriek van appellantes handen en armen te onderzoeken en kan het achterwege laten van een bloeddrukmeting niet onzorgvuldig worden geacht nu bij de vaststelling van de medische beperkingen van appellante is uitgegaan van een hypertensie. Gelet op de aard en omvang van het medische onderzoek was het niet onzorgvuldig dat geen inlichtingen bij de behandelende sector waren opgevraagd. Tot slot was de rechtbank van oordeel dat in het kader van een ZW-beoordeling de verzekeringsarts niet gehouden is om verzekeringsgeneeskundige protocollen te volgen en dat hetgeen appellante met betrekking tot de zogenoemde

Wet Amber en het intrekken van de uitkering krachtens de WAO naar voren heeft gebracht buiten de omvang van het geding valt.

4. In hoger beroep heeft appellante haar eerder ingenomen standpunt herhaald dat haar medische beperkingen zijn onderschat, omdat niet al haar klachten zijn onderzocht. Volgens appellante geeft de op 6 december 2007 opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geen juist beeld van haar huidige medische beperkingen. Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat de medische onderzoeken die ten grondslag hebben gelegen aan de WAO-beoordeling in de onderhavige procedure opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld, aangezien zij immers ook van belang worden geacht bij de ZW-beoordeling. Tot slot blijft appellante erbij dat naar aanleiding van haar ziekmelding op 11 juni 2008 het Uwv een beoordeling op grond van de Wet Amber had moeten verrichten. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft appellante rapporten van Instituut Psychosofia overgelegd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. In dergelijke gevallen is van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO.

5.2. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van 13 juli 2009 niet (langer) ongeschikt moet worden geacht voor één van de aan haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies.

5.3. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat, in vergelijking met haar gezondheidstoestand voor de ziekmelding zoals is weergegeven in de FML van 6 december 2007, nog (langer) van een toename van haar beperkingen sprake is. Anders dan appellante kennelijk meent, zijn de aan de FML ten grondslag gelegde medische bevindingen met de WAO-beoordeling in rechte komen vast te staan. De voorhanden zijnde medische informatie, in het bijzonder die medische informatie waarop door appellante beroep wordt gedaan, biedt geen grond voor een andersluidend oordeel. De bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts kunnen het bestreden besluit dragen. De bezwaarverzekeringsarts is in het rapport van 16 november 2009 en in de rapporten van 28 januari 2010 en 23 augustus 2010 ingegaan op de door appellante in beroep en hoger beroep ingebrachte (medische) stukken en heeft gemotiveerd uiteengezet dat daarin geen aanleiding is te vinden voor een andere opvatting over de arbeidsmogelijkheden van appellante.

5.4. Ook ziet de Raad geen aanleiding de wijze van oordeelsvorming door de rechtbank voor onjuist te houden. Hij onderschrijft het oordeel dat het bij een beroep tegen een hersteldverklaring in het kader van de ZW gaat om de vraag of een betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen en dat daarbij ter beoordeling staat of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Het bestreden besluit is gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek en is het, naar uit hetgeen onder 5.3 is overwogen volgt, draagkrachtig gemotiveerd.

5.5. Wat betreft de stelling van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten zelfstandig feitenonderzoek te doen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 8 april 2011, LJN BQ0845. In die uitspraak is overwogen dat uitgangspunt van de bestuursrechtelijke procedure is dat partijen zelf de voor beoordeling en beslissing door de rechter relevante feitelijke gegevens aanleveren. Dat de bestuursrechter bevoegd is om ambtshalve de feiten aan te vullen (artikel 8:69, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) maakt dit niet anders. In een procedure als de onderhavige, waarbij het gaat om de beoordeling van de juistheid van de medische grondslag van een hersteldmelding in het kader van de ZW, is het primair aan het Uwv de medische feiten in het geding te brengen, die de correctheid van het bestreden besluit onderbouwen. Vervolgens is het aan appellante om met medische (en andere) gegevens twijfel te wekken aan de correctheid van die medische grondslag. Deze beroepsgrond wordt dus tevergeefs naar voren gebracht.

5.6. Eenzelfde oordeel treft de beroepsgrond van appellante dat het Uwv naar aanleiding van haar ziekmelding een besluit in het kader van de Wet Amber had moeten nemen. Onder verwijzing naar onder andere zijn uitspraak van 19 mei 2010, LJN BM5105 overweegt de Raad dat hij, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 7:11 en 8:69 van de Awb, geen ruimte ziet om in een geding zoals het onderhavige, waarin een besluit ter uitvoering van de ZW aan de orde is, de aanspraken van appellante in het kader van de WAO erbij te betrekken.

6. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Bij deze uitkomst is voor de gevraagde veroordeling van het Uwv tot vergoeding naar schade geen ruimte.

7. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012.

(get.) M. Greebe.

(get.) N.S.A. El Hana.

TM