Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
10/4110 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt voor zijn arbeid. Het medische onderzoek dat het Uwv ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft terecht kunnen concluderen dat appellant op de datum in geding in staat moet worden geacht om zijn werkzaamheden als productiemedewerker te hervatten. Er bestaat geen reden om een onafhankelijk deskundige in te schakelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4110 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 juni 2010, 09/5126 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 29 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. Th.C.P.M. van Boekel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. van der Marel, kantoorgenoot van mr. drs. Van Boekel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker voor 24 uren per week bij [naam werkgever], toen hij op 13 oktober 2008 voor zijn werk met nekklachten uitviel. Naar aanleiding van die ziekmelding heeft appellant een paar keer het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 28 september 2009 geschikt is te achten voor zijn arbeid. Bij besluit van 23 september 2009 is appellants uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd met ingang van 28 september 2009. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.

2. Bij besluit van 29 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 september 2009 ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 22 oktober 2009 ten grondslag gelegd.

3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen naar de medische gesteldheid van appellant voldoende zorgvuldig is geweest, aangezien die artsen appellant op hun spreekuur hebben gezien en medische informatie van de behandelende sector bij hun beoordeling van appellants belastbaarheid hebben betrokken. Volgens de rechtbank beschikten de verzekeringsartsen over een voldoende volledig beeld van de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding en waren zij op de hoogte van de door hem gestelde klachten, met name de psychische klachten. De rechtbank heeft de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven dat, gelet op de brief van de behandelende psychiater van 27 januari 2010, de dwangklachten en sterke stemmingswisselingen van appellant goeddeels zijn afgenomen en dat, indien moet worden aangenomen dat voormelde klachten stress gerelateerd zijn, deze geen belemmering vormen voor appellant om zijn eigen werkzaamheden te verrichten, aangezien deze werkzaamheden niet stressvol noch fysiek zwaar zijn.

4. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden in beroep bij de rechtbank, de juistheid van de uitspraak betwist.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit is in het geval van appellant de functie van productiemedewerker voor 24 uren per week bij [naam werkgever].

5.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek dat het Uwv ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De verzekeringsarts heeft naast de bevindingen van het eigen onderzoek ook de beschikking gehad over informatie van de behandelende psychiater. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts appellant op het spreekuur van 21 oktober 2009 onderzocht en bij de beoordeling ook alle dossiergegevens van appellant betrokken. Op grond van de door appellant verstrekte informatie, de eigen onderzoeksbevindingen en de reeds aanwezige gegevens, waaronder die van de curatieve sector, heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad terecht kunnen concluderen dat appellant met zijn beperkingen in het sociale verkeer op de datum in geding in staat moet worden geacht om zijn werkzaamheden als productiemedewerker te hervatten.

5.3. De Raad onderschrijft bovendien de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 1 maart 2010 dat voor de in 5.2 weergegeven conclusie eveneens steun wordt gevonden in de door appellant bij de rechtbank ingebrachte brief van zijn behandelende psychiater van 27 januari 2010. Uit deze brief komt naar voren dat de klachten van appellant na het starten van de medicatie in september 2009 zijn afgenomen, hoewel nog geen volledige remissie is bereikt. Volgens de behandelende psychiater is nog steeds sprake van exacerbaties die moeilijk te anticiperen zijn, maar duidelijk verband houden met toename van stress. Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat de eigen werkzaamheden van appellant niet stressvol zijn, moet hij desondanks in staat geacht worden zijn eigen arbeid te verrichten. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die een ander licht op zijn beperkingen werpen. De Raad ziet daarom geen reden om een onafhankelijk deskundige in te schakelen.

6. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 28 september 2009 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Bij deze uitkomst is voor de door appellant gevraagde veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade geen ruimte.

7. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

De uitspraak is gedaan door M. Greebe in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012.

(get.) M. Greebe.

(get.) N.S.A. El Hana.

JL