Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7467

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
10-1906 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Vreemdeling. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, moet worden geconcludeerd dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Indien er ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op de bestuursorganen die belast zijn met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1906 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2010, 09/5317 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 28 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft bij wijze van verweer verwezen naar het verweerschrift in eerste aanleg en naar de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Driessen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.A. Ahmed. Tevens is verschenen E. Battaloglu, de door appellant meegebrachte tolk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1965, heeft de Turkse nationaliteit en verblijft sinds 1991 in Nederland, sinds 19 mei 1999 op grond van artikel 8, onderdelen f en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). In 2005 heeft appellant een aanvraag gedaan om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, op welke aanvraag ten tijde hier in geding nog niet was beslist. Appellant woont met zijn gezin bij zijn broer en wordt door familie en vrienden financieel ondersteund.

1.2. Op 5 augustus 2008 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) bij het college ingediend. Bij besluit van 3 december 2008 heeft het college, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 11 augustus 2008 tot afwijzing van die aanvraag gehandhaafd, met verwijzing naar artikel 11 van de WWB, op de grond dat appellant nimmer rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland op grond van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw 2000.

1.3. Bij uitspraak van 2 juli 2009, 08/4909, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 3 december 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen. Daartoe is overwogen, samengevat, dat het college geen grond heeft genoemd die in het licht van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) kan worden gezien als een rechtvaardigingsgrond voor het maken van een onderscheid tussen vreemdelingen met een verblijfsvergunning en vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven voor wat betreft het recht op bijstand.

1.4. Bij besluit van 4 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college, uitvoering gevend aan de uitspraak van 2 juli 2009, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 augustus 2008 opnieuw ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college ten aanzien van de toetsing van de Koppelingswet aan artikel 26 van het IVBPR verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad, waarin tot uitdrukking is gebracht dat die wet wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft in het algemeen niet op bedenkingen stuit en in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt. Dit betekent volgens het college dat de afwijzing van de aanvraag van appellant niet in strijd is met artikel 26 van de IVBPR.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij betoogt - met een beroep op artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het IVBPR - dat voor de toepassing van de WWB een verboden onderscheid wordt gemaakt niet alleen tussen vreemdelingen met een verblijfsvergunning en vreemdelingen die niet rechtmatig verblijf hebben maar ook tussen vreemdelingen met een verblijfsvergunning en vreemdelingen die een aanvraag hebben ingediend met een verblijfsvergunning asiel enerzijds en vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben in verband met een lopende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier, waartoe appellant behoort, anderzijds. Verder heeft appellant betoogd dat ten aanzien van hem een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat brengt mee dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 5 augustus 2008 tot en met 11 augustus 2008.

4.2. Niet in geding is dat zowel appellant als zijn echtgenote en kinderen tijdens de te beoordelen periode geen vreemdeling waren in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB.

4.3. De wetgever heeft met de invoering van de zogenoemde Koppelingswet, Stb. 1998, 203, onder meer de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule gebracht. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 11 juni 2009, LJN BI9325) is in de koppelingswetgeving een onderscheid naar nationaliteit aan de orde dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR en diverse bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid. De Raad heeft in het kader van deze toetsing de doelstelling van de koppelingswetgeving zoals deze in de wetsgeschiedenis is neergelegd, steeds aanvaardbaar geacht. Geen reden bestaat om in de hier aan de orde zijnde situatie anders te oordelen. Het door appellant gestelde ongerechtvaardigde onderscheid tussen vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben in verband met een lopende aanvraag om een verblijfsvergunning regulier, waartoe appellant behoort, en degenen die rechtmatig verblijf hebben in verband met een lopende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel, wat daarvan verder zij, wordt bij de toepassing van de WWB niet gemaakt. Vreemdelingen die een aanvraag hebben ingediend voor een verblijfsvergunning asiel vallen immers, voor zover door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand bestaat, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, evenzeer buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule.

4.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 22 november 2011, LJN BU6844 en 11 januari 2012, LJN BV0611), merkt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als “the very essence” van het EVRM aan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Indien sprake is van omstandigheden die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt kan er sprake zijn van een zodanige aantasting van de “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat er een positieve verplichting op de staat berust de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van het EVRM opgenomen waarborg. Daarbij is wel van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. Indien sprake is van een positieve verplichting als hiervoor bedoeld dient niettemin de onder 4.3 besproken, door de wetgever bewust gekozen, beperkte doelstelling van de WWB in acht te worden genomen. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Indien er ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op de bestuursorganen die belast zijn met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen.

4.5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.L.G. Boot.

HD