Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7458

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
11/251 BBZ 2004
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om algemene bijstand. Bij het advies aan het college zijn terecht beide bedrijven van appellant in samenhang in de beoordeling van de levensvatbaarheid betrokken en is appellant daarbij als gevestigd ondernemer aangemerkt, aangezien hij al een redelijke termijn als zelfstandige gevestigd is. In de door appellant aangevoerde omstandigheden zijn geen externe omstandigheden van tijdelijke aard gelegen op basis waarvan verlenging van de termijn van de eerder aan appellant als gevestigd zelfstandige verleende algemene bijstand gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/251 BBZ 2004

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 1 december 2010, 09/1517 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem (college)

Datum uitspraak: 28 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.Th.B. Grob, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Grob. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G. Kelderman.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant exploiteert vanaf 3 januari 2005 een koeriersbedrijf onder de handelsnaam [handelsnaam ]. Daarnaast heeft hij op 4 april 2007 de exploitatie overgenomen van een horecagelegenheid op een camping in [vestigingsplaats], genaamd [horecagelegenheid].

1.2. Op 7 november 2007 heeft hij een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) dan wel het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor een starterskrediet tot een bedrag van € 25.000,--.

1.3. Bij besluit van 17 april 2008 heeft het college na het inwinnen van advies bij het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf B.V. (IMK) de aanvraag om bedrijfskapitaal van 7 november 2007 en de aanvraag voor levensonderhoud die is gedaan naar aanleiding van het uitgebrachte advies van het IMK, afgewezen.

1.4. Appellant heeft de exploitatie van ‘[horecagelegenheid] met ingang van 5 april 2008 beëindigd, omdat hij het bedrag aan huur niet kon opbrengen.

1.5. Op 4 augustus 2008 heeft appellant opnieuw een krediet gevraagd op grond van het Bbz 2004. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 17 oktober 2008 na advies van Eurocon Management Consultants B.V. (Eurocon) afgewezen.

1.6. Naar aanleiding van het bezwaarschrift gericht tegen laatstgenoemd besluit heeft het college in verband met de afgenomen schuldenlast van appellant Eurocon verzocht een hernieuwd onderzoek te doen. Dit heeft geleid tot een nieuw besluit van 15 december 2008, in aanvulling op het besluit van 17 oktober 2008, waarbij het college aan appellant

op grond van het Bbz 2004 een bedrijfskapitaal heeft toegekend ter grootte van € 31.000,--, dat dient te worden aangewend voor afkoop van alle schulden.

1.7. Bij besluit van 11 augustus 2009 (het bestreden besluit) heeft het college de tegen de besluiten van 17 april 2008 en van 17 oktober 2008 gerichte bezwaren onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college het verzuim in de besluiten van 17 oktober 2008 en van 15 december 2008 om te beslissen op eisers aanvraag om een periodieke uitkering ingevolge de WWB dan wel het Bbz 2004 hersteld en beide aanvragen afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen deze uitspraak gekeerd. De rechtbank gaat er ten onrechte van uit dat appellant als gevestigd ondernemer beschouwd diende te worden. In het besluit van 15 december 2008 noemt het college ook zelf artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 24 van het Bbz 2004. Zijn aanvraag voor bedrijfskrediet en levensonderhoud was alleen gebaseerd op de horeca-onderneming, zodat hij als startende ondernemer moet worden beschouwd. Het IMK is uitgegaan van verkeerde gegevens en onjuistheden. Het IMK had beide ondernemingen gescheiden dienen te behandelen en heeft daarnaast de levensvatbaarheid van het koeriersbedrijf niet juist beoordeeld. Voor deze onderneming was geen financieringsbehoefte. Ook overigens is het IMK uitgegaan van een geheel verkeerd bedrag aan financieringsbehoefte. Hij heeft de horeca-onderneming moeten afstoten omdat hij het bedrag dat hij aan huur diende te betalen niet kon opbrengen. Appellant is het niet eens met de beslissing van het college om het verzoek om een periodieke uitkering ingevolge het Bbz 2004 af te wijzen, omdat de behoefte aan algemene bijstand geen gevolg is van externe omstandigheden van tijdelijke aard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vast staat dat de afwijzing van de aanvraag om periodieke bijstand op grond van de WWB niet in geschil is.

4.2. Voorts is, zoals appellant ter zitting nog heeft bevestigd, het hoger beroep inzake het Bbz 2004 beperkt tot de afwijzing van algemene bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en is de uitkering voor bedrijfskapitaal niet in geschil.

4.3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 kan algemene bijstand worden verleend aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of beroep levensvatbaar is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz 2004, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan algemene bijstand worden verleend aan de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is.

4.3.2. Appellant ontving geen uitkering uit hoofde van werkloosheid en hij valt dan ook niet onder de begripsomschrijving van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 zodat hij niet als beginnend zelfstandige als bedoeld in deze bepaling kan worden aangemerkt. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat zijn aanvraag van 7 november 2007 voor een starterskrediet vooral was gericht op [horecagelegenheid] en dat hij ten aanzien van die onderneming als beginnend zelfstandige moest worden beschouwd. Zoals blijkt uit de begripsomschrijving is bepalend de persoon (of de echtgenoot van de persoon) en niet de onderneming. Bovendien exploiteerde appellant ten tijde van de indiening van de aanvraag beide bedrijven in de vorm van een eenmanszaak. Dat brengt mee dat het eigen vermogen zakelijk en privé niet kan worden gescheiden en dat een negatief eigen vermogen bedrijfseconomisch gezien niet alleen voor de continuïteit van één van beide ondernemingen een bedreiging vormt, maar voor beide ondernemingen. Het IMK heeft dan ook terecht beide bedrijven in samenhang in de beoordeling van de levensvatbaarheid betrokken en appellant daarbij als gevestigd ondernemer aangemerkt, aangezien hij al een redelijke termijn als zelfstandige gevestigd is.

4.3.3. Het overigens niet met bewijsstukken onderbouwde betoog van appellant dat het IMK is uitgegaan van onjuiste gegevens en dat appellant, mocht hem het krediet eerder zijn verstrekt, zijn onderneming niet had hoeven afstoten, blijft buiten beschouwing aangezien het verlenen van bedrijfskapitaal niet meer in geschil is.

4.3.4. De Raad volgt het college in het standpunt dat bij het vermelden van de artikelen die van toepassing zijn op de startende ondernemer, namelijk de artikelen 2, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 24 van het Bbz 2004 in het besluit van 15 december 2008, sprake is van een kennelijke verschrijving. Het college heeft aangegeven dat hier artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 20, eerste lid, van het Bbz 2004 vermeld hadden moeten worden. Dat het hier gaat om een kennelijke verschrijving blijkt al uit het feit dat appellant op dat moment alleen nog het koeriersbedrijf exploiteerde. Tussen partijen staat vast dat hij het koeriersbedrijf reeds langer exploiteerde.

4.4.1. Tussen partijen is voorts nog in geschil het antwoord op de vraag of, uitgaande van de eerder aan appellant als gevestigd zelfstandige verleende algemene bijstand, sprake is van externe omstandigheden van tijdelijke aard als bedoeld in artikel 18 van het Bbz 2004, die een verlenging van de termijn rechtvaardigen.

4.4.2. In artikel 18 van het Bbz 2004 is bepaald dat aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, gedurende ten hoogste twaalf maanden algemene bijstand wordt verleend. Verlenging van deze termijn met ten hoogste 24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard.

4.4.3. Van belang is de Memorie van Toelichting bij artikel 9, eerste lid, van het wetsontwerp Algemene bijstandswet (Abw), nadien vernummerd in artikel 8 van de Abw. Dit artikel was een in essentie gelijkluidende bepaling als artikel 18 van het Bbz 2004. In de Memorie van Toelichting is opgemerkt dat een langere uitkeringsperiode dan 12 maanden zou gaan in de richting van een inkomensgarantie, hetgeen in strijd is met het uitgangspunt dat, behalve wanneer het ouderen betreft, alleen een uitkering aan zelfstandigen kan worden verleend bij tijdelijke inkomensproblemen. Verlenging van genoemde termijn met ten hoogste twee jaar is alleen mogelijk als de noodzaak voorkomt uit externe omstandigheden van tijdelijke aard. Verlenging is dus niet mogelijk indien de oorzaken van de bijstandsbehoefte in de wijze van bedrijfsvoering zijn gelegen (Kamerstukken II 1991/92, 22545, nr 3, blz. 114).

4.4.4. Appellant heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake was van dergelijke omstandigheden, omdat hij onverwacht werd geconfronteerd met de eis van de verhuurder om vooraf een bedrag € 25.000,-- aan huur te betalen.

4.4.5. De Raad onderschrijft het standpunt van het college dat hierin geen externe omstandigheden van tijdelijke aard zijn gelegen zoals bedoeld in artikel 18 van het Bbz 2004. Het gaat hier om kosten die met de normale bedrijfsvoering samenhangen. Uit het rapport van het IMK blijkt dat in 2007 al een achterstallige schuld aan de verhuurder was ontstaan van € 11.300,--, welke nadien in verband met de vooruit te betalen verplichting voor een half jaar was opgelopen met ongeveer € 25.000,--. De betaling van de huur evenals de betaling van de in 2007 al aanwezige achterstand van huur is geen onvoorziene externe omstandigheid, maar behoort tot het normale bedrijfsrisico van een zelfstandige.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.L.G. Boot.

HD