Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
02-03-2012
Zaaknummer
11-4303 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek betrokkene aan te stellen in FPS fase 3 kan stand houden. De rechtbank heeft het besluit vernietigd. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft appellant de aanstelling van betrokken omgezet in een aanstelling FPS fase 3 (besluit van 22 juli 2011). Dit besluit heeft expliciet een voorlopig karakter en ligt in het verlengde van de, thans bestreden, aangevallen uitspraak. Niet gebleken dat er voor appellant een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband. Het door appellant gestelde gebrek aan formatieve ruimte in de toekomst is niet onaannemelijk. Voorts bevat het AMAR geen bepalingen op grond waarvan tijdelijke aanstellingen van rechtswege worden omgezet in een vaste aanstelling. Er is geen grond om, zoals door betrokkene bepleit, de onder meer in artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek en artikel 7, achtste lid, van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie neergelegde materiële norm van overeenkomstige toepassing te achten. Bij het besluit van 22 juli 2011 is betrokkene alsnog aangesteld in fase 3. Hoewel de aangevallen uitspraak geen stand houdt, ziet de Raad af van vernietiging van dat besluit. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat betrokkene vanaf 19 juli 2011 daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht. Het is aan appellant om, zoals ook in het besluit staat verwoord, te beoordelen welke gevolgen deze uitspraak van de Raad voor het besluit van 22 juli 2011 heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4303 MAW en 11/4999 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Defensie (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 juli 2011, 10/8746 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 1 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 22 juli 2012 een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.V. Wannyn en mr. C.A.D. Berkhuizen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, kapitein der Koninklijke Luchtmacht, maakt sinds 31 december 1993 deel uit van het beroepspersoneel voor bepaalde tijd (BBT). Na enkele aanstellingen van kortere duur is betrokkene, na het behalen van een opleiding tot militair vlieger, tot 31 oktober 2005 werkzaam geweest op een aanstelling voor de duur van acht jaar. Deze aanstelling is nadien verlengd tot 31 oktober 2007. Op 18 juli 2006 is betrokkene begonnen aan een omscholing tot CH-47D vlieger. Aan deze omscholing is een dien- en restitutieverplichting van vier jaar opgelegd met ingang van de datum van slagen. Vervolgens is bij besluit van 22 november 2007 betrokkenes aanstelling vanaf 19 juli 2007 met vier jaar verlengd tot en met 18 juli 2011. In verband met deze verlenging heeft betrokkene een premie van € 15.000,- bruto ontvangen.

1.2. Op 1 januari 2008 is bij Defensie het Flexibel Personeelssysteem (FPS) ingevoerd. Binnen het FPS worden drie fases onderscheiden in de loopbaan van de militair. Daarbij zijn de tot dan toe bestaande verschillen in rechtspositie tussen militairen aangesteld voor bepaalde en onbepaalde tijd (de BOT-ers) niet te niet gedaan. De BBT-ers gaan functioneren in de fasen 1 en 2, terwijl op de BOT-ers de rechtspositie voor het militair personeel in fase 3 van toepassing wordt. Fase 3 eindigt in beginsel bij het leeftijdsontslag van de militair. Voor militairen met een BBT-aanstelling die op 31 december 2007 in dienst waren, is in hoofdstuk 12 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) overgangsrecht opgenomen. Hierin is neergelegd dat de BBT-er ook na 1 januari 2008 zijn BBT-aanstelling behoudt en dat eervol ontslag wordt verleend vanwege het eindigen van de tijd waarvoor de aanstelling is geschied. Wel is er de mogelijkheid om de aanstelling van de BBT-er tijdens of na afloop van zijn aanstelling om te zetten in een aanstelling in één van de FPS-fasen. In de Nota van 13 december 2007 inzake Uitvoeringsaangelegenheden invoering FPS worden daarvoor de volgende criteria genoemd: a) de militair is geschikt en bekwaam voor verdere functievervulling en b) er is formatieve ruimte voorhanden.

1.3. Bij aanvraag van 6 april 2010 heeft betrokkene verzocht hem aan te stellen in FPS fase 3. Dit verzoek is bij besluit van 28 juni 2010 afgewezen wegens gebrek aan formatieve ruimte. Na bezwaar van betrokkene is die afwijzing in stand gebleven bij beslissing op bezwaar van 11 november 2010.

2. De rechtbank heeft het door betrokkene tegen het besluit van 11 november 2010 ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 28 juni 2010 herroepen en bepaald dat de aanstelling van betrokkene wordt omgezet in een aanstelling FPS fase 3. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt de weigering van appellant om betrokkene in fase 3 aan te stellen niet van goed werkgeverschap. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de duur van betrokkenes dienstverband, zijn leeftijd en de strekking van een nota van 4 maart 2010, waarin wordt geconstateerd dat het overgangsbeleid vooruitlopend op de wijziging van het AMAR in een aantal gevallen onjuist is toegepast. Voor de rechtbank woog goed werkgeverschap zwaarder dan het door appellant gestelde gebrek aan formatieve ruimte.

3.1. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Op 22 juli 2011 heeft appellant een nieuw besluit genomen, waarbij betrokkene met ingang van 20 juli 2011 wordt aangesteld bij de krijgsmacht en wordt ingedeeld bij de Koninklijke Luchtmacht in loopbaanfase 3.

3.2. Betrokkene schaart zich in het verweerschrift achter de aangevallen uitspraak.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Als meest verstrekkende stelling in dit geding heeft betrokkene aangevoerd dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Volgens betrokkene is het besluit van 22 juli 2011 een zelfstandig besluit dat stand houdt ook wanneer het hoger beroep van appellant slaagt. Dat betekent, aldus betrokkene, dat appellant geen procesbelang meer heeft.

4.1.2. De Raad volgt betrokkene hierin niet. In het besluit van 22 juli 2011 is expliciet opgenomen dat als gevolg van de uitspraak van de rechtbank de BBT-aanstelling van betrokkene wordt gewijzigd in een fase 3-aanstelling en voorts dat betrokkene, afhankelijk van de uitspraak in hoger beroep, te zijner tijd mogelijk alsnog eervol ontslag zal worden verleend. Het besluit heeft dus expliciet een voorlopig karakter en ligt in het verlengde van de, thans bestreden, aangevallen uitspraak.

4.2.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat betrokkene niet op grond van zijn leeftijd, het aantal aanstellingen dan wel de totale duur ervan, aanspraak kan maken op een aanstelling in FPS fase 3. Evenmin is op betrokkene het gestelde in de nota van 4 maart 2010 van toepassing. In deze nota is geconstateerd dat het overgangsbeleid in een aantal gevallen onjuist is toegepast, waardoor er, anders dan de bedoeling was, na 1 januari 2008 nog verlengingsbesluiten ten aanzien van BBT-ers zijn genomen, met een ingangsdatum van zowel vóór als na 1 januari 2008. Deze aanstellingen zijn alsnog omgezet in een FPS-aanstelling. Omdat zijn aanstelling vóór 1 januari 2008 afliep en ook vóór die datum is verlengd, behoort betrokkene niet tot deze groep BBT-ers.

4.2.2. Nu bovengenoemde omstandigheden niet noopten tot een aanstelling in FPS fase 3, en gelet op het ook door de rechtbank genoemde toetsingscriterium, gaat het te ver om te stellen dat die omstandigheden tezamen het oordeel rechtvaardigen dat appellant het verzoek van betrokkene, in afwijking van appellants beleid, op grond van goed werkgeverschap had dienen te honoreren. Dat dit beleid mogelijk op sommige punten enige tijd onjuist is uitgevoerd, doet hieraan niet af, nu niet is gebleken dat betrokkene hierdoor is benadeeld. Verder verdient opmerking dat betrokkene heeft geaccepteerd dat hem telkens aanstellingen voor bepaalde tijd zijn aangeboden en ook dat zijn laatste aanstelling de voor BBT-ers geldende leeftijdsgrens van 40 jaar overschrijdt.

4.2.3. Dit betekent dat de vernietiging van het bestreden besluit en de herroeping van het primaire besluit door de rechtbank geen stand houden en dat nu de vraag voorligt of de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om betrokkene een FPS fase 3-aanstelling te verlenen stand houdt.

4.3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 29 juli 2010, LJN BN3499 en TAR 2011, 79) brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Dat is anders als er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, of het niet verlengen in strijd zou komen met ongeschreven recht.

4.3.2. Zoals reeds uit 4.2.2 kan worden afgeleid, is niet gebleken dat er voor appellant een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband. Het door appellant gestelde gebrek aan formatieve ruimte in de toekomst is niet onaannemelijk. Voorts bevat het AMAR geen bepalingen op grond waarvan tijdelijke aanstellingen van rechtswege worden omgezet in een vaste aanstelling. Er is geen grond om, zoals door betrokkene bepleit, de onder meer in artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek en artikel 7, achtste lid, van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie neergelegde materiële norm van overeenkomstige toepassing te achten.

4.3.3. Hetgeen betrokkene nog heeft aangevoerd met betrekking tot andere door appellant gedane omzettingen van aanstellingen biedt, gelet ook op hetgeen appellant daarover heeft verklaard, onvoldoende houvast voor het oordeel dat appellant bij de weigering betrokkene een FPS fase 3-aanstelling te verlenen, het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

4.3.4. Uit het vorenstaande volgt dat de weigering van appellant om betrokkene aan te stellen in FPS fase 3 stand houdt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit moet ongegrond worden verklaard.

Het besluit van 22 juli 2011

4.4. Bij dit besluit, dat ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding wordt betrokken, is betrokkene alsnog aangesteld in fase 3. Hoewel de aangevallen uitspraak geen stand houdt, ziet de Raad af van vernietiging van dat besluit. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat betrokkene vanaf 19 juli 2011 daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht. Het is aan appellant om, zoals ook in het besluit staat verwoord, te beoordelen welke gevolgen deze uitspraak van de Raad voor het besluit van 22 juli 2011 heeft.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.A.A.G. Vermeulen en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD