Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2012
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
10-6233 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering tegemoetkoming in de studiekosten van de zoon van appellant aan het HIRAM college in Ohio, VS. Geen bijzondere omstandigheden. De plaatsing van appellants zoon op de Amerikaanse highschool en vervolgens op een universiteit in Amerika heeft bijgedragen aan appellants integratie in de Amerikaanse gemeenschap, hetgeen zijn functioneren ten goede kwam, maar daarmee is evenwel nog geen sprake van een bijzondere omstandigheid om met toepassing van artikel 28 van het VBD tegemoet te komen in de kosten van de opleiding van appellants zoon aan de Universiteit in Amerika. Niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaande aan plaatsing in Engeland is afgesproken appellants zoon onderwijs te laten volgen op de Amerikaanse highschool in Engeland, om de integratie van appellant in de Amerikaanse samenleving te versnellen. Niet aannemelijk gemaakt dat een toelating aan een Nederlandse universiteit onmogelijk was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6233 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (Groot-Brittannië) (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 oktober 2010, 09/6541 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 23 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart, raadsman. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Botman.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was vanaf 1995 geplaatst bij het [naam standplaats] te [vestigingsplaats] in Engeland. Met zijn gezin woonde hij op de Amerikaanse basis aldaar. Vanaf 1996 volgde appellants zoon [B.] daar onderwijs op een Amerikaanse highschool. Na deze opleiding succesvol te hebben afgerond is [B.] in 1998 gaan studeren aan het HIRAM College te Ohio in de Verenigde Staten. Op 5 augustus 1998 heeft appellant de minister verzocht om een tegemoetkoming in de studiekosten voor het studiejaar 1998-1999 van $ 12.211,-. Bij besluit van 29 september 1998 heeft de minister dat verzoek afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de zoon van appellant de desbetreffende studie niet volgde in het gebied waar appellant geplaatst was, maar in Amerika. Daarmee is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD), waarin is geregeld dat de gehuwde defensie-ambtenaar die geplaatst in een gebied buiten Nederland en die één of meer kinderen heeft die aldaar onderwijs genieten, aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de daarmee verband houdende onderwijskosten, bijkomende kosten en reiskosten. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, waarbij hij tevens heeft verzocht om toepassing te geven aan artikel 41 (oud) van het VBD, op grond van welke bepaling de minister bevoegd is te beslissen in die gevallen waarin de regeling niet of niet in redelijkheid voorziet.

2.2. Bij besluit van 15 november 1999 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en ook beslist dat appellant niet verkeert in de in artikel 41 (oud) van het VBD bedoelde situatie. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 juni 2000 het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 augustus 2002, 00/3931, heeft de Raad die uitspraak van de rechtbank - voor zover hier van belang - vernietigd, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard tegen de beslissing van de minister appellants verzoek om tegemoetkoming in de studiekosten onder toepassing van artikel 41 (oud) van het VBD af te wijzen. Hetgeen appellant daartegen in zijn beroepschrift heeft aangevoerd had de rechtbank in zoverre als een bezwaar moeten opvatten. De Raad heeft, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroepschrift doorgezonden naar de minister om als bezwaarschrift te worden behandeld.

2.3. Het daarop genomen besluit van 13 oktober 2003 is door de rechtbank bij uitspraak van 6 mei 2004 vernietigd. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft de minister bij besluit van 31 juli 2009 het besluit gehandhaafd om niet met toepassing van artikel 28 (gelijkluidend aan artikel 41 oud) van het VBD tegemoet te komen in de studiekosten van [B.].

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 31 juli 2009 ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de plaatsing van zijn zoon op de Amerikaanse highschool en vervolgens op de Amerikaanse universiteit met een door de Amerikaanse regering aangeboden studiebeurs als gevolg van [B.]’s uitzonderlijke studieprestaties, in positieve zin heeft bijgedragen aan de uitvoering van de aan appellant door de minister gegeven opdracht om zo diep mogelijk te integreren in de Amerikaanse gemeenschap, om een betere inlichtingenpositie te krijgen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de universitaire opleiding in Amerika beter aansloot op de Amerikaanse highschool, dan Engelse of Nederlandse universiteiten. Daarbij heeft appellant aangegeven dat zijn zoon noodgedwongen heeft moeten kiezen voor de Amerikaanse universiteit, omdat die universiteit een aanbod tot plaatsing met een deadline had gedaan en de Nederlandse universiteiten voor het verstrijken van die deadline nog geen uitsluitsel over zijn plaatsing aldaar konden geven. Verder is volgens appellant bij het bestreden besluit ten onrechte niet meegewogen dat zijn zoon sinds 2007 is aangesteld als burgermedewerker bij Defensie.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

5.1. De Raad stelt voorop dat de minister heeft erkend dat de plaatsing van appellants zoon op de Amerikaanse highschool en vervolgens op een universiteit in Amerika heeft bijgedragen aan appellants integratie in de Amerikaanse gemeenschap, hetgeen zijn functioneren ten goede kwam. Daarmee is evenwel nog geen sprake van een zodanig bijzondere omstandigheid dat de minister daarin aanleiding had moeten zien om met toepassing van artikel 28 van het VBD tegemoet te komen in de kosten van de opleiding van appellants zoon aan de Universiteit in Amerika.

5.2. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat met hem voorafgaande aan zijn plaatsing in Engeland is afgesproken zijn zoon onderwijs te laten volgen op de Amerikaanse highschool in Engeland, om de integratie van appellant in de Amerikaanse samenleving te versnellen. Appellant heeft ter zitting ook erkend destijds zelf voor die highschool te hebben gekozen na alle voor- en nadelen te hebben afgewogen. Daarbij is ook betrokken de mededeling van het toenmalig Hoofd Bezoldiging van het Bureau Financiële Personeelszorg dat er mogelijk problemen kunnen optreden bij aansluiting van de Amerikaanse opleiding op universitaire opleidingen in het Verenigd Koninkrijk of Nederland.

5.3. Voorts is niet komen vast te staan dat de universiteit in Amerika nog de enige optie was voor [B.] nadat hij zijn opleiding op de highschool succesvol had afgerond. Toelating op een universiteit in Engeland of Nederland was wellicht minder makkelijk voor hem gezien zijn Amerikaanse vooropleiding, maar appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke toelating voor [B.] onmogelijk was.

Appellant heeft om hem moverende reden gekozen voor een opleiding voor zijn zoon aan een universiteit in Amerika. De gevolgen van die keuze komen geheel voor rekening van appellant en niet voor Defensie.

5.4. Ook in het licht van de strekking van de relevante bepalingen van het VBD, te weten uitgezonden personeel met hun gezin herenigen in het land van plaatsing en een tegemoetkoming te bieden voor de daarmee gemoeide kosten, kan de weigering van de minister om met toepassing van artikel 28 van het VBD een tegemoetkoming in de onderwijskosten van [B.] toe te kennen de rechterlijke toets doorstaan. Door het volgen van onderwijs in Amerika door appellants zoon is immers geen sprake (meer) van hereniging van appellants gezin in Engeland.

5.5. De minister heeft de omstandigheid dat de zoon van appellant sinds 2007 bij het ministerie van Defensie is aangesteld, in redelijkheid niet behoeven aan te merken als een bijzondere omstandigheid die noopte tot toepassing van de in artikel 28 van het VBD opgenomen hardheidsclausule, alleen al omdat die omstandigheid ten tijde van het verzoek van appellant in 1999 nog niet te voorzien was.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en M.C. Bruning en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C. Nijholt.

HD