Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7421

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
10/595 WWB + 10/820 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Appellant is er niet in geslaagd om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/595 WWB

10/820 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 2 december 2009, 09/3445 en 09/4453 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 28 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.M. Pessers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pessers. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 22 januari 2003 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een melding dat appellant vanaf 2007 een vermogen heeft boven het voor hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen, heeft het Team Fraudebestrijding van de sector Sociale Zaken Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. In het kader daarvan is onder meer informatie opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer, bij de afdeling Belastingen van de gemeente Tilburg en bij het kadaster en is appellant verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 april 2009.

1.2. Bij besluit van 15 april 2009 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 6 september 2007 ingetrokken. Voorts heeft het college bij datzelfde besluit de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 6 september 2007 tot 1 maart 2009 tot een bedrag van € 18.525,48 van appellant teruggevorderd. Daarbij heeft het college overwogen dat appellant, zonder daarvan mededeling aan het college te hebben gedaan, ten tijde in geding over een vermogen in de vorm van een Mercedes met kenteken [kenteken] (auto) en een garagebox heeft beschikt dat hoger is dan het voor appellant geldende vrij te laten vermogen.

1.3. Bij besluit van 11 juni 2009 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 april 2009 ongegrond verklaard.

1.4. Appellant heeft vervolgens een aanvraag ingediend om algemene bijstand vanaf 16 april 2009.

1.5. Bij besluit van 18 mei 2009 heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.6. Bij besluit van 13 augustus 2009 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 mei 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit I ongegrond verklaard en het beroep tegen bestreden besluit II gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Met betrekking tot bestreden besluit II heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de waarde van de auto moet worden bepaald op € 20.400,--, dat het college terecht heeft aangenomen dat de verkoop van de auto op 23 april 2009 de vermogenspositie van appellant niet aantast omdat appellant over de opbrengst ter hoogte van de vastgestelde waarde kan beschikken, dat voor de door appellant gestelde opbrengst van de auto objectieve gegevens ontbreken en dat er geen aanleiding is de gestelde kosten van de executoriale verkoop van de garagebox in september 2009 op de actuele waarde van de garagebox in mindering te brengen. Uitgaande van de waarde van de auto van € 20.400,--, waarvan volgens het beleid van het college 75% als vermogen wordt aangemerkt, de waarde van de garagebox van € 9.500,--, waarover partijen niet van mening verschillen, en de schuld aan het college van € 18.525,48 is het feitelijk beschikbare vermogen in de hier te beoordelen periode hoger dan de voor appellant geldende vermogensgrens van € 5.455,--.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter zitting van de Raad heeft appellant te kennen gegeven dat nog uitsluitend in geschil is de afwijzing van de aanvraag. In dit verband heeft hij aangevoerd dat de waarde van de auto te hoog is vastgesteld en dat bij de waardebepaling van de garagebox ten onrechte geen rekening is gehouden met de kosten van de executoriale verkoop ervan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De door de bestuursrechter te beoordelen periode bestrijkt in dit geval de periode van 16 april 2009 tot en met 18 mei 2009.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB, 23 maart 2010, LJN BM0861) ligt het, indien een periodieke bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.3. Appellant is daarin niet geslaagd. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de waarde van de auto te hoog is vastgesteld, aangevoerd dat de auto op 23 april 2009 aan [P.] voor een veel lager bedrag dan € 20.400,-- is verkocht omdat de auto veel schade had. Als bewijs hiervan heeft hij onder meer diverse foto’s van een auto, rekeningen van gekochte automaterialen en een keuringsrapport ingezonden. Tevens heeft hij gewezen op een door [P.] voor de voorzieningenrechter afgelegde beëdigde verklaring, alsmede op een schriftelijke verklaring van [P.] van 26 oktober 2009. De Raad is van oordeel dat daarmee niet is aangetoond dat de door de rechtbank vastgestelde waarde onjuist is. Van een betaling door [P.] aan appellant in verband met de aankoop van de auto zijn geen objectieve en verifieerbare bewijzen. De enkele verklaring van [P.] dat hij voor de auto € 8.200,-- heeft betaald, waarvan € 6.000,-- contant en € 2.200,- via de bank, is in dit verband onvoldoende. Verder valt uit de ingezonden stukken niet op te maken dat de gestelde gebreken aan de auto al bestonden ten tijde in geding. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat er geen aanleiding is de gestelde kosten van de executoriale verkoop van de garagebox in september 2009 op de actuele waarde van de garagebox in mindering te brengen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de executoriale verkoop pas na de hier te beoordelen periode heeft plaatsgevonden. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de aanvraag van appellant terecht afgewezen. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) M.C. Nijholt.

HD