Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
11-1688 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. Er bestaat geen aanleiding om de door de rechtbank benoemde deskundige niet te volgen. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit terecht vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een Wet WIA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1688 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 februari 2011, 08/2067 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 1 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M. Bruin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2011, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bruin. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is onderwijsassistente geweest. Op 10 augustus 2005 heeft zij zich, terwijl zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld. In begin 2006 heeft zij nog enige tijd gewerkt maar ze is al vrij snel weer uitgevallen. Van 4 januari 2007 tot 25 april 2007 heeft zij een uitkering ingevolge de Wet op arbeid en zorg gehad. Per 26 april 2007 heeft zij zich weer ziek gemeld. Na afloop van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat kader is appellante onderzocht door de verzekeringsarts W.R. van Oostendorp. In zijn rapport van 27 september 2007 is deze arts tot de conclusie gekomen dat appellante vanwege haar psychische klachten verminderd belastbaar is op mentaal gebied. Omdat deze klachten een duidelijke weerslag hebben op haar fysieke gestel heeft hij tevens vastgesteld dat appellante is aangewezen op werkzaamheden die fysiek niet te belastend zijn. Met inachtneming van deze conclusies heeft hij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) ingevuld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige H. Glashorst in zijn rapport van 2 oktober 2007 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk, maar nog wel een viertal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 19 november 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, omdat zij met ingang van 29 november 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

2.1. In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat zij vanwege haar psychische klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij een rapport van 18 februari 2008 van de haar behandelend psychiater R.W. Jessurun overgelegd, die van mening is dat er bij appellante sprake is van een chronisch Post Traumatisch Stress Syndroom (PTSS).

2.2. De bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal heeft in zijn rapport van 9 april 2004 de bevindingen van de primaire verzekeringsarts onderschreven. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 14 mei 2008 de geschiktheid van de geselecteerde functies nader gemotiveerd. Bij besluit van 6 juni 2008 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3. In beroep heeft appellante de in bezwaar naar voren gebrachte gronden herhaald. Daarbij heeft zij nog nadere medische informatie van Jessurun ingebracht, waarop de bezwaarverzekeringsarts J.L.E. Tjon-A-Sam heeft gereageerd.

4.1. Nadat de rechtbank het geding ter zitting van 10 september 2009 had behandeld, is het onderzoek heropend. Vervolgens heeft de rechtbank de psychiater prof. dr. E. Hoencamp als deskundige ingeschakeld. Nadat hij informatie uit de behandelende sector had opgevraagd, is hij in zijn rapport van december 2009 tot de conclusie gekomen dat er bij appellante ten tijde hier in geding sprake was van matig depressieve klachten, recidiverend van aard, gesuperponeerd op PTSS-problematiek. Hij heeft te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de voor appellante vastgestelde FML. Daarnaast heeft hij te kennen gegeven dat naar zijn mening appellante geschikt moet worden geacht voor de voor haar geselecteerde functies. Voor wat betreft de re-integratie van appellante heeft hij opgemerkt dat het niet reëel is dat zij meteen voor 40 uur per week aan het werk gaat.

4.2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts Tjon-A-Sam en appellante op het rapport van Hoencamp hadden gereageerd, heeft Hoencamp in een brief van 20 juli 2010 laten weten de in zijn rapport van december 2009 ingenomen standpunten ongewijzigd te handhaven.

4.3. De rechtbank heeft overwogen dat naar vaste jurisprudentie van de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd en dat er in het onderhavige geval geen aanleiding is om van dit uitgangspunt af te wijken. Daartoe heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat de onafhankelijke en onpartijdige psychiater bij uitstek de deskundigheid bezit om beperkingen op zijn vakgebied te onderkennen en dat deze psychiater zijn oordeelsvorming heeft gebaseerd op eigen onderzoek van appellante, de zich in het dossier bevindende medische gegevens en de door hem opgevraagde informatie van de huisarts en de behandelend psychiater van het Meander Medisch Centrum. In hetgeen appellante in haar brieven van 19 februari 2010 en 30 augustus 2011 heeft aangevoerd, heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gevonden om van het voormelde beginsel af te wijken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien aan de opvatting van Hoencamp ten aanzien van de urenbeperking gevolgen te verbinden. Dit omdat Hoencamp deze urenbeperking niet heeft aanbevolen op basis van zijn deskundigheid als psychiater en op basis van deze deskundigheid gestelde beperkingen, maar op basis van hetgeen naar zijn opvatting uit een oogpunt van re-integratie wenselijk is.

4.4. Met betrekking tot de geschiktheid van de geselecteerde functies is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de geschiktheid van appellante voor de functie van archiefmedewerker met functienummer 9111-0309-032 in onvoldoende mate is aangetoond. Voor de rechtbank is dit aanleiding geweest alle geselecteerde functies met sbc-code 111334 te laten vervalen omdat er binnen deze sbc-code minder dan drie arbeidsplaatsen resteerden. De overige drie voor appellante geselecteerde functies met de sbc-codes 267050, 111334 en 272042 heeft de rechtbank, mede gezien haar opleidingsniveau, wel geschikt voor haar bevonden. Aangezien de op basis van deze drie functies berekende mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

5. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad heeft geen aanleiding gevonden om deskundige Hoencamp niet te volgen. De in hoger beroep door appellante overgelegde (medische) gedingstukken hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Daarvoor verwijst de Raad naar het commentaar dat op deze gedingstukken is gegeven in het verweerschrift van 18 april 2011 en het daarbij overgelegde rapport van 13 april 2011 van de bezwaarverzekeringsarts Tjon-A-Sam, met welk commentaar de Raad zich kan verenigen. Dit betekent dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat appellante met ingang 29 november 2007 geen recht heeft op een WIA-uitkering en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.R. Baas.

KR