Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7370

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
10-5982 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voor zover namens appellant in hoger beroep nieuwe feiten zijn aangevoerd, moeten die buiten beschouwing blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5982 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Engeland (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 september 2010, 10/3385 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 1 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn moeder, [naam moeder], hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2012.

Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders.

II. OVERWEGINGEN

1. De Svb heeft bij besluit van 25 januari 2005 afgewezen de op 25 juni 2004 gedateerde aanvraag van appellant om toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Svb heeft aan deze afwijzing ten grondslag gelegd dat appellant deze aanvraag niet binnen één jaar na het einde van zijn verplichte verzekering in Nederland op 1 september 2001 heeft gedaan. Bij besluit van 21 juli 2005 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 januari 2005 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Hiertegen heeft appellant geen beroep ingesteld.

2. Bij ongedateerde en op 3 september 2009 bij de Svb ontvangen brief is namens appellant verzocht om de in overweging 1 vermelde aanvraag alsnog te honoreren. De Svb heeft bij besluit van 8 oktober 2009 dit verzoek, dat hij heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 25 januari 2005, met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die ten tijde van het doen van de eerdere aanvraag niet bekend waren.

3. De Svb heeft bij besluit van 13 april 2010 het namens appellant tegen het besluit van 8 oktober 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard omdat de in de bezwaarprocedure voorgebrachte feiten en omstandigheden bij de Svb bekend waren ten tijde van het nemen van het besluit van 25 januari 2005.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant, dat in essentie een herhaling bevat van hetgeen eerder is voorgedragen, tegen het besluit van 13 april 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.2. De rechtbank heeft - onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad - het toetsingskader voor het bestuursorgaan en de bestuursrechter uiteengezet voor een geval waarin, zoals hier aan de orde, na een eerdere afwijzing sprake is van een herhaalde aanvraag. De rechtbank heeft daarbij gewezen op artikel 4:6, eerste lid, van de Awb volgens welk artikellid appellant, na de in overweging 1 vermelde eerdere afwijzing van zijn aanvraag, bij het doen van een nieuwe aanvraag gehouden is om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Volgens het tweede lid van artikel 4:6 kan de Svb bij gebreke van een vermelding als even bedoeld de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit.

4.3. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant bij in geding zijnde verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Het door appellant geschetste feitencomplex was ten tijde van het nemen van het besluit van 25 januari 2005, aldus de rechtbank, aan de Svb reeds bekend. De bij de aanvraag naar voren gebrachte nieuwe argumenten had appellant naar het oordeel van de rechtbank in kunnen brengen bij het maken van tijdig bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2005.

4.4. De rechtbank concludeerde dat niet kan worden gezegd dat de Svb niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit of daarbij anderszins in strijd heeft gehandeld met een geschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5. Namens appellant zijn in hoger beroep de in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald.

6.1. De Raad overweegt ambtshalve allereerst dat op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Awb niet de rechtbank ’s-Gravenhage maar de rechtbank Amsterdam bevoegd was om op het beroep van appellant te beslissen. De rechtbank heeft aangegeven het beroep niettemin uit proces-economische overwegingen te behandelen. Eerder heeft de Raad in bijvoorbeeld zijn uitspraak van 23 april 2008 (LJN BD0823) overwogen dat de wettelijke voorschriften inzake de relatieve competentie een hierop gerichte verwijzing niet mogelijk maken. In lijn met deze uitspraak ziet de Raad ook thans in de gegeven omstandigheden echter aanleiding om met toepassing van artikel 28 van de Beroepswet de onbevoegdheid van de rechtbank voor gedekt te verklaren en de aangevallen uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken.

6.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien een ander oordeel te geven over het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gedaan. Mede gelet op de toelichting van de zijde van de Svb ter zitting heeft ook de Raad geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de Svb niet in redelijkheid gebruik kon maken van de in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb vervatte bevoegdheid. Die toelichting kwam er immers op neer dat, ook al is dat niet uitdrukkelijk in het bestreden besluit vermeld, daarbij toch ook gebruikmaking van die bevoegdheid is beoordeeld. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat de in het in overweging 2 vermelde verzoek en in de bezwaarprocedure tegen de afwijzing daarvan op 8 oktober 2009 voorgebrachte feiten en omstandigheden met betrekking tot onder andere de duur en de voorwaarden van het verblijf van appellant in Mexico vanaf september 2001 niet geheel overeenstemmen met hetgeen ter zake door appellant is gemeld in zijn brief van 4 november 2004 aan de Svb. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat die latere schildering een meer getrouw beeld van de werkelijkheid over dat verblijf schetst, valt niet in te zien dat die schildering niet eerder en in elk geval uiterlijk in het kader van de aanvraag die heeft geleid tot het besluit van 25 januari 2005 aan de Svb kenbaar had kunnen worden gemaakt. Voor zover namens appellant in hoger beroep nieuwe feiten zijn aangevoerd, wijst de Raad erop dat die buiten beschouwing moeten blijven. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld zijn uitspraak van 14 september 2007 (LJN BB3594)) komen immers in gevallen waarin het gaat om de beoordeling van een herhaalde aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Awb, alleen nieuwe feiten en daarmee samenhangende gronden en argumenten in aanmerking die uiterlijk in de bezwaarprocedure zijn voorgebracht. Verder valt niet in te zien dat hetgeen ter zitting namens appellant is opgemerkt over de informatievoorziening van de zijde van de toenmalige Informatie Beheer Groep in 2001, wat daar verder ook van zij, niet reeds bij het doen van de in overweging 1 vermelde aanvraag had kunnen worden ingebracht. Ten slotte vormen de reeds in de bezwaarprocedure tegen het bestreden besluit uiteengezette en ter zitting nader toegelichte redenen voor het te laat maken van bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2005 geen feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van een verzoek om herziening van dit besluit. Deze redenen hadden destijds wel aanleiding kunnen geven om tegen het besluit op bezwaar van 21 juli 2005 beroep in te stellen.

6.3. Overweging 6.3 brengt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2012.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) Z. Karekezi.

KR