Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
11-5035 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld ingevolge de ZW op de grond dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd door zich niet te verweren tegen het beëindigen van het dienstverband tijdens ziekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5035 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2011, 10/4577 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 29 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R.H. Swane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2012. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar vanaf 16 juli 2009 werkzaam als brandwacht bij [naam werkgever]. Per 1 februari 2010 is aan dit dienstverband een einde gekomen. Appellant heeft hierop een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet aangevraagd welke bij besluit van 27 mei 2010 is geweigerd omdat hij heeft aangegeven arbeidsongeschikt te zijn. Op 29 mei 2010 heeft appellant zich vervolgens met terugwerkende kracht per 1 februari 2010 ziek gemeld.

2. Bij besluit van 22 juni 2010 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 1 februari 2010 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 28 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij primair op het standpunt gesteld dat appellant per 1 februari 2010 niet ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en subsidiair dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd doordat hij zich niet heeft verweerd tegen de beëindiging van zijn dienstverband tijdens ziekte.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het Uwv terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant per 1 februari 2010 niet ongeschikt was voor zijn arbeid. De subsidiaire grond heeft de rechtbank onbesproken gelaten.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in de periode vanaf 1 februari 2010 niet in staat was om arbeid te verrichten. Voorts heeft appellant zijn standpunt herhaald er van alles aan gedaan te hebben om geen beroep te hoeven doen op een ZW-uitkering. Hij heeft gesteld dat hij het niet eens was met de beëindiging van het dienstverband door zijn werkgever.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Aan de orde is de vraag of het Uwv bij het bestreden besluit van 28 september 2010 terecht het recht op ziekengeld per 1 februari 2010 heeft geweigerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv in dit verband aangegeven dat de primaire grond in het bestreden besluit niet meer gehandhaafd wordt aangezien er geen medische beoordeling heeft plaatsgevonden. De Raad dient derhalve te beoordelen of het Uwv per 1 februari 2010 terecht ziekengeld geweigerd heeft op de grond dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd door zich niet te verweren tegen het beëindigen van het dienstverband tijdens ziekte.

5.3. De Raad overweegt hieromtrent als volgt.

5.4. In de zich onder de gedingstukken bevindende brief van 11 februari 2010 heeft de werkgever aan appellant het volgende medegedeeld.

“ Betreft: niet op werklocatie verschijnen,

(...)

Op 29 januari heeft [werkgever] u een werkaanbod gedaan voor een werklocatie in Amsterdam.

De diensten waren op zaterdag 30 en zondag 31 januari.

U gaf aan deze diensten niet te willen draaien.

Wij hebben u aangegeven daarmee in de problemen te komen.

Ondanks dat bleef u bij uw standpunt, en gaf zelfs aan geheel geen werkzaamheden meer uit te willen voeren voor [werkgever].

Toen wij aangaven dat dit op ons overkwam als éénzijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst bevestigde u dat.

Wij hebben u een aantal dagen de gelegenheid gegeven alsnog terug te komen op uw uitspraken echter wij hebben niets meer van u mogen vernemen.

Wij gaan ervan uit dat u bij uw standpunt bent gebleven.

(...)” .

5.5. Uit de gedingstukken noch uit hetgeen appellant in de loop van de procedure omtrent het einde van het dienstverband naar voren heeft gebracht valt af te leiden dat appellant na de ontvangst van deze brief hiertegen (juridische) acties heeft ondernomen. Gelet op de hiervoor weergegeven brief van de werkgever houdt de Raad het er dan ook op dat appellant zelf ontslag heeft genomen. De Raad onderschrijft dan ook het standpunt van het Uwv dat, indien appellant zich anders had opgesteld, hij op en na 1 februari 2010, voor zover er op en na die dag sprake is van ongeschiktheid tot werken, een loonaanspraak wegens ziekte op zijn werkgever had. Gelet op het bepaalde in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in samenhang met het zevende lid van dat artikel heeft het Uwv terecht geweigerd appellant met ingang van 1 februari 2010 in aanmerking te brengen voor ziekengeld.

6. Uit hetgeen onder 5.2 tot en met 5.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) H.L. Schoor.

JL