Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7220

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
11-5209 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld ingevolge de ZW. Betrokkene kan haar eigen werkzaamheden als schoonmaakster van kantoorgebouwen weer hervatten. Geen overschrijding van de belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5209 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 juli 2011, 10/8352 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 29 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2012. Appellante is, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft zich op 22 oktober 2009 - aan het eind van haar bevallingsverlof - ziek gemeld voor het werk als schoonmaakster van kantoorgebouwen met hoofdpijnklachten, nachtmerries en angstklachten. Na medisch onderzoek op 23 juni 2010 heeft de bedrijfsarts appellante met ingang van 28 juni 2010 geschikt geacht voor haar arbeid. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 24 juni 2010 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 24 juni 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in diens rapportage van 28 september 2010, en van de bezwaararbeidsdeskundige, neergelegd in de rapportages van 26 augustus 2010 en

12 oktober 2010 - bij besluit van 19 oktober 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geen aanleiding gezien het onderzoek door de bedrijfsarts en beide bezwaarverzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en voor twijfel aan het standpunt dat appellante geschikt is haar werk per 28 juni 2010 te verrichten. Op basis van de verkregen informatie van de behandelend psychiater van PsyQ heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 13 mei 2011 geconcludeerd dat ten tijde van de datum in geding vooral de depressieve klachten op de voorgrond kwamen te staan. De angstklachten waren volgens de bezwaarverzekeringsarts niet zodanig dat deze zouden moeten leiden tot arbeidsongeschiktheid voor het werk. Betreffende de door appellante aangevoerde grond dat zij haar eigen werk vanwege tijdsdruk en het werken in de nabijheid van andere mensen niet kan verrichten heeft de rechtbank geoordeeld dat met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 oktober 2010 en de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 13 mei 2011 afdoende gemotiveerd is waarom deze punten geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellante.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij niet in staat is haar eigen werkzaamheden te verrichten. Zij meent dat onvoldoende rekening is gehouden met haar agorafobie. Zij wijst er op dat er ten tijde van de aanmelding al sprake was van angstklachten. Uit de informatie van PsyQ van 11 april 2011 valt af te leiden dat gedurende de behandeling de angstklachten steeds meer op de voorgrond kwamen te staan, waarbij het onduidelijk is op welk moment dit precies is. Appellante heeft al vanaf het begin medicatie voor depressie en paniekstoornissen (seroquel en lexapro). Verder blijkt uit de medische informatie van de huisarts dat zij op 5 juli 2010 bekend was met angststoornissen. Appellante is van mening dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft nagelaten bij PsyQ te informeren naar de datum waarop de angstklachten duidelijk op de voorgrond kwamen te staan en heeft verzuimd te informeren naar het verslag van het psychiatrisch consult op 12 april 2010. Appellante is voorts van mening dat haar belastbaarheid niet goed in kaart is gebracht. Nergens lijkt oog geweest te zijn voor de vraag of er nog sprake is van beperkingen ten aanzien van langdurig concentreren en de werktijden en voor het feit dat zij in verband met haar angstklachten niet te veel mensen in haar omgeving kan hebben. Appellante verzoekt om onderzoek door een deskundige psychiater.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid, in dit geval de werkzaamheden als schoonmaakster van kantoorgebouwen gedurende 36 uur per week.

4.3. De Raad overweegt in dit verband op de eerste plaats dat met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 augustus 2010 voldoende inzicht is gegeven in de aard en de omvang van de werkzaamheden in het werk van schoonmaakster van kantoorgebouwen.

4.4. De Raad ziet voorts in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben bij hun beoordeling informatie van de behandelende sector - waaronder het huisartsenjournaal van 7 juli 2010, de informatie van de GZ-psycholoog M. Mileusnic van 26 februari 2010 en de in beroep verkregen informatie van psycholoog S. Kettmann van 11 april 2011 - meegewogen. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante bij de hoorzitting gezien en lichamelijk onderzocht, alsmede een onderzoek van de psyche gedaan. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding dit onderzoek onzorgvuldig te achten. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts de beperkingen van appellante voortvloeiend uit de matig depressieve episode en PTSS alsmede de beperkingen voortvloeiend uit de spanningsgerelateerde spierklachten aan de linkerschouder en nek afgezet tegen de belasting in het eigen werk en is tot de conclusie gekomen dat de belasting in het eigen werk de belastbaarheid van appellante niet te boven ging. De Raad heeft geen aanleiding om deze conclusie onjuist te achten. De Raad heeft voorts evenals de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 13 mei 2011, dat pas later de angststoornissen op de voorgrond traden en dat uit de informatie van psycholoog Kettmann bezien in samenhang met de informatie van de GZ-psycholoog niet geconcludeerd kan worden dat er sprake was van zodanige angstklachten, op datum in geding 28 juni 2010 dan wel later, dat dit zou moeten leiden tot arbeidsongeschiktheid voor haar werk. De Raad wijst er hierbij op dat appellante tot en met maart 2011 voor haar depressie onder behandeling is geweest bij Kettmann en dat appellante eerst toen in verband met het meer op de voorgrond treden van de angstklachten voor de behandeling van deze klachten is doorverwezen naar I-Psy. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige, zoals door appellante verzocht.

4.5. De Raad onderschrijft tot slot het standpunt van het Uwv dat in de maatgevende arbeid niet blijkt van een specifieke belasting in langdurig concentreren, werktijden en tijdsdruk. Verder is expliciet aangegeven dat de arbeid geen belasting in klant- of patiëntencontacten bevat. De terzake door appellante aangevoerde grond treft dan ook geen doel.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) H.L. Schoor.

JL