Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
10-4201 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenmalige verlaging bijstand op de grond dat appellant ernstig te kort is geschoten in het meewerken aan een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Op basis van de arbeidsgeschiktheidsverklaring van de bedrijfsarts heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat appellant gehouden was aan het voortraject deel te nemen. Appellant had geen recht op een second opinion. Anders dan appellant heeft gesteld, was de termijn waarbinnen hij een second opinion had moeten aanvragen - ruimschoots - verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4201 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2010, 09/5540 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 28 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam advocaat], advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft appellant bericht dat [naam advocaat] als advocaat is geschorst.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaak met registratienummer 09/6468 WWB, plaatsgevonden op 17 januari 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Mulders. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. Thans wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In april 2008 heeft het college een medisch en arbeidskundig onderzoek laten doen naar de belastbaarheid van appellant voor arbeid. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 april 2008. In dit rapport wordt geconcludeerd dat appellant 30 uur per week kan deelnemen aan een traject richting reguliere arbeid dan wel een voortraject richting arbeid. Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het college appellant meegedeeld dat hij vanwege zijn medische situatie niet naar een volledige baan hoeft te solliciteren, maar naar werk gedurende 30 uur per week, en dat hij moet meewerken aan voorzieningen die de Dienst Werk en Inkomen (DWI) hem aanbiedt.

1.2. Een bedrijfsarts van Achmea Vitale heeft appellant op 28 mei 2009 op het spreekuur gezien. In zijn werkhervattingsadvies van die datum heeft de bedrijfsarts vermeld dat appellant regelmatig maag-/darmklachten heeft, maar daardoor niet beperkt is voor de in het arbeidskundig advies van 8 april 2008 geduide functies, dat het aan te bevelen is appellant te laten werken in de buurt van een toilet als zijn klachten weer actueel zijn en dat appellant in staat is te werken conform voormeld advies.

1.3. Bij besluit van 16 juni 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2009, heeft het college de bijstand van appellant eenmalig met € 400,-- verlaagd op de grond dat appellant ernstig te kort is geschoten in het meewerken aan een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en dat de bijstand ook al bij besluit van 1 oktober 2008 was verlaagd. Hierbij is van belang geacht dat appellant op 11 juni 2009 had moeten starten met een ‘voortraject ParticipatiePlaatsen’ bij Pantar Amsterdam (voortraject), maar zich ziek heeft gemeld met maag- en darmklachten, terwijl de bedrijfsarts van mening is dat appellant met die klachten wel kan werken. Bij uitspraak van 11 november 2009 , 09/4465 en 09/4147 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2009 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bij uitspraak van heden, registratienummer 09/6468 WWB, bevestigd.

1.4. Op 8 juli 2009 is appellant opnieuw aangemeld voor het voortraject. Bij brief van 10 juli 2009 heeft Pantar Amsterdam appellant uitgenodigd om op 16 juli 2009 te starten met het voortraject. Pantar Amsterdam heeft de DWI bericht dat appellant zich op die dag wederom ziek heeft gemeld.

1.5. Bij besluit van 7 augustus 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 oktober 2009 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant eenmalig met € 400,-- verlaagd op de grond dat appellant ernstig te kort is geschoten in het meewerken aan een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en dat de bijstand ook al bij besluiten van 1 oktober 2008 en 16 juni 2009 was verlaagd. In het bestreden besluit is onder meer overwogen dat appellant wederom heeft geweigerd te starten met het voortraject, terwijl zijn werktijden en -uren waren aangepast, en dat het verzoek om medisch te worden herkeurd is afgewezen omdat de medische beperkingen van appellant niet waren gewijzigd.

1.6. Appellant is op 10 augustus 2009 aangemeld voor het traject ‘SW ja/nee:

Re-integratietraject voor mogelijke SW-kandidaten’. Hij had op 31 augustus 2009 moeten starten, maar heeft zich op die datum ziek afgemeld voor dit traject. In verband met deze ziekmelding heeft een verzuimrapporteur van Achmea Vitale (verzuimrapporteur) appellant op 2 september 2009 thuis bezocht. In zijn werkhervattingsadvies van 3 september 2009 heeft de verzuimcontroleur vermeld dat appellant vanaf 11 juni 2009 100% arbeidsongeschikt is. De verzuimcontroleur heeft in een nader werkhervattingsadvies van 15 september 2009 vermeld dat appellant vanaf 31 augustus 2009 100% arbeidsongeschikt is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen.

Het college heeft pas bij verweerschrift en ter zitting van de rechtbank gemotiveerd dat en waarom appellant niet is herkeurd en niet in aanmerking komt voor een second opinion op grond van het Verzuimprotocol voor medewerkers van Participatieplaatsen van Pantar Amsterdam (verzuimprotocol). Het bestreden besluit is zonder deze motivering onbegrijpelijk en dient daarom wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Vaststaat dat appellant op 5 juni 2009 is geïnformeerd over het verzuimprotocol. Op 1 juli 2009 heeft appellant verzocht om een second opinion als bedoeld in het verzuimprotocol. Volgens het verzuimprotocol moet een dergelijk verzoek binnen zeven dagen na de arbeidsgeschiktheidsverklaring worden gedaan. Appellant was hiermee op 5 juni 2009 bekend, maar heeft pas op 1 juli 2009 verzocht om een second opinion. Gesteld noch gebleken is dat appellant niet in staat was dat verzoek binnen de gestelde termijn van zeven dagen te doen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant geen recht heeft op een second opinion. Op basis van de arbeidsgeschiktheidsverklaring van de bedrijfsarts van 28 mei 2009 heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat appellant gehouden was aan het voortraject deel te nemen. Appellant heeft dat niet gedaan, terwijl nog geen jaar was verlopen na een eerder besluit tot afstemming. Het college heeft de bijstand dan ook met € 400,-- kunnen verlagen. Niet is gebleken dat appellant onredelijk wordt getroffen door de afstemming.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hij heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

- De termijn van zeven dagen voor het aanvragen van een second opinion was nog niet verstreken. Deze termijn is onredelijk kort, nu het hier niet gaat om een vervaltermijn, op straffe van nietigheid voorgeschreven door een wet in formele zin.

- De rechtbank heeft ten onrechte niet meegewogen dat appellant na de totstandkoming van het besluit van 7 augustus 2009 met ingang van 31 augustus 2009 voor 100% arbeidsongeschikt is verklaard. Dit feit deed zich voor hangende de bezwaarschriftenprocedure.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel berust, dat appellant geen recht had op een second opinion. Anders dan appellant heeft gesteld, was de termijn waarbinnen hij een second opinion had moeten aanvragen - ruimschoots - verstreken. Immers, niet in geschil is dat appellant op 5 juni 2009 bekend was met het verzuimprotocol - en dus ook met de daarin opgenomen termijn om een second opinion aan te vragen - en dat hij pas op 1 juli 2009 om een second opinion heeft verzocht. Anders dan appellant meent, doet aan deze feiten niet af dat de DWI het verzuimprotocol niet heeft betrokken in de bezwaarschriftenprocedure, nog daargelaten dat appellant zelf, hangende zijn bezwaar, een beroep op het verzuimprotocol heeft gedaan. Verder valt niet in te zien dat voor het aanvragen van een second opinion niet een termijn van zeven dagen zou mogen worden aangehouden.

4.2. De Raad is voorts van oordeel dat het werkhervattingsadvies van 15 september 2009 niet afdoet aan de aan appellant verweten maatregelwaardige gedraging, die op 16 juli 2009 heeft plaatsgevonden. Dat in dat advies is vermeld dat appellant met ingang van 31 augustus 2009 100% arbeidsongeschikt is, zegt immers niets over zijn medische situatie op

16 juli 2009.

4.3. Gelet op 4.1 en 4.2 treffen de onder 3 verwoorde beroepsgronden geen doel, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.

HD