Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
09-6468 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenmalige verlaging bijstand op de grond dat appellant ernstig te kort is geschoten in het meewerken aan een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De arbeidskundige rapportage en het werkhervattingsadvies bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant zich ten onrechte ziek heeft gemeld. De medische gegevens die appellant in bezwaar en in beroep heeft ingebracht bieden geen aanknopingspunten om tot een andere conclusie te komen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is geweest binnen zeven dagen een second opinion aan te vragen. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant geen rechten aan het verzuimprotocol kan ontlenen. Het college was gehouden de bijstand van appellant te verlagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6468 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] wonende te [woonplaats](appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (voorzieningenrechter) van 11 november 2009, 09/4465 en 09/4147 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 28 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. [naam advocaat], advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft appellant bericht dat mr. [naam advocaat] als advocaat is geschorst.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaak met registratienummer 10/4201 WWB, plaatsgevonden op 17 januari 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. Thans wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In april 2008 heeft het college medisch en arbeidskundig onderzoek laten doen naar de belastbaarheid van appellant voor arbeid. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 april 2008. In dit rapport wordt geconcludeerd dat appellant 30 uur per week kan deelnemen aan een traject richting reguliere arbeid dan wel een voortraject richting arbeid. Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het college appellant meegedeeld dat hij vanwege zijn medische situatie niet naar een volledige baan hoeft te solliciteren, maar naar werk gedurende 30 uur per week, en dat hij moet meewerken aan voorzieningen die de Dienst Werk en Inkomen (DWI) hem aanbiedt.

1.2. Appellant is op 27 mei 2008 aangemeld voor een sociale activeringsplek bij ‘Run and Move’ en op 17 juli 2008 voor het Hoya-traject, maar is niet met deze trajecten gestart. In verband daarmee heeft het college bij besluit van 1 oktober 2008 de bijstand van appellant eenmalig met € 200,-- verlaagd op de grond dat appellant ernstig te kort is geschoten in het meewerken aan een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

1.3. Op 8 december 2008 is appellant aangemeld voor een ‘voortraject ParticipatiePlaatsen’ bij Pantar Amsterdam (voortraject). Appellant heeft tot driemaal toe geen gehoor gegeven aan een uitnodiging voor een intakegesprek voor het voortraject, waarvan de laatste keer zonder afmelding. Naar aanleiding hiervan heeft het college appellant bij brief van 3 februari 2009 meegedeeld dat hij één of meer van de aan zijn bijstandsuitkering verbonden verplichtingen niet goed is nagekomen, dat bij een dergelijke handelwijze de bijstand in principe met € 400,-- wordt verlaagd en dat het verzuim deze keer geen gevolgen heeft voor zijn uitkering, maar dat een volgend verzuim mogelijk wel gevolgen kan hebben.

1.4. Een bedrijfsarts van Achmea Vitale heeft appellant op 28 mei 2009 op het spreekuur gezien. In zijn werkhervattingsadvies van die datum heeft de bedrijfsarts vermeld dat appellant regelmatig maag-/darmklachten heeft, maar daardoor niet beperkt is voor de in het arbeidskundig advies van 8 april 2008 geduide functies, dat het aan te bevelen is appellant te laten werken in de buurt van een toilet als zijn klachten weer actueel zijn en dat appellant in staat is te werken conform het advies van 8 april 2008.

1.5. Tijdens een gesprek op 5 juni 2009 is met appellant afgesproken dat hij op 11 juni 2009 zou starten met het voortraject. Bij brief van 15 juni 2009 heeft Pantar Amsterdam de DWI meegedeeld dat appellant zich op 11 juni 2009 opnieuw ziek heeft gemeld.

1.6. Bij besluit van 16 juni 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2009 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant eenmalig met € 400,-- verlaagd op de grond dat appellant ernstig te kort is geschoten in het meewerken aan een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en dat de bijstand ook al bij besluit van 1 oktober 2008 was verlaagd. Hierbij is van belang geacht dat appellant zich 11 juni 2009 wederom ziek heeft gemeld met maag- en darmklachten, terwijl de bedrijfsarts van mening is dat appellant met die klachten wel kan werken.

1.7. Appellant is op 10 augustus 2009 aangemeld voor het traject ‘SW ja/nee:

Re-integratietraject voor mogelijke SW-kandidaten’. Hij had op 31 augustus 2009 moeten starten, maar heeft zich op die datum met onder meer koorts en keelpijn ziek afgemeld voor dit traject. In verband met deze ziekmelding heeft een verzuimrapporteur van Achmea Vitale (verzuimrapporteur) appellant op 2 september 2009 thuis bezocht. In zijn werkhervattingsadvies van 3 september 2009 heeft de verzuimcontroleur vermeld dat appellant vanaf 11 juni 2009 100% arbeidsongeschikt is. De verzuimcontroleur heeft in een nader werkhervattingsadvies van 15 september 2009 vermeld dat appellant vanaf 31 augustus 2009 100% arbeidsongeschikt is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Het medisch advies van 8 april 2008 is niet verouderd, zodat het college zich daarop mocht beroepen. Het stond Achmea Vitale vrij om de onjuiste arbeidsongeschiktheidsdatum die in het werkhervattingsadvies van 3 september 2009 was opgenomen te herstellen. Aan de door appellant overgelegde verklaringen van zijn huisarts van 10 juni 2009 en 5 augustus 2009 kan niet het door hem gewenste gewicht worden toegekend, omdat deze verklaringen te algemeen zijn en geen oordeel geven over de belastbaarheid van appellant. Aan het Verzuimprotocol voor medewerkers van Participatieplaatsen van Pantar Amsterdam (verzuimprotocol) kan appellant geen rechten ontlenen. Gelet op eerdere afstemmingen heeft het college een verzwaarde afstemming van € 400,-- kunnen toepassen.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

- De rechtbank had het werkhervattingsadvies van 15 september 2009 niet mogen accepteren. Niet duidelijk is dat het ging om een onjuiste datum.

- Appellant heeft op grond van het verzuimprotocol recht op een second opinion. Gezien zijn klachten en de ingebrachte medische verklaringen had appellant de mogelijkheid van een second opinion moeten worden geboden.

- De verlaging van de bijstand met € 400,-- is onredelijk. Appellant heeft aanzienlijke schulden en moet leven van een eenvoudige uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de toepasselijke bepalingen van de WWB en de Afstemmingsverordening WWB van de gemeente Amsterdam (Afstemmingsverordening) verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 11 juni 2009 had moeten starten met het voortraject. Verder staat vast dat appellant zich op die datum ziek heeft gemeld en niet op het voortraject is verschenen.

4.2. De in 1.2 vermelde rapportage van 8 april 2008 en het in 1.4 vermelde werkhervattingsadvies van 28 mei 2009 bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant zich op 11 juni 2009 ten onrechte ziek heeft gemeld. De medische gegevens die appellant in bezwaar en in beroep heeft ingebracht bieden geen aanknopingspunten om tot een andere conclusie te komen. Daaruit blijkt slechts dat appellant nog steeds maag- en darmklachten heeft en daarvan in het dagelijks leven veel hinder ondervindt, maar niet dat hij met die klachten niet voor 30 uur per week zou kunnen deelnemen aan het voortraject.

4.3. Reeds gelet op de omstandigheid dat het werkhervattingsadvies van 3 september 2009 betrekking had op een ziekmelding van appellant van 31 augustus 2009, is evident dat de in dat advies genoemde arbeidsongeschiktheidsdatum onjuist was. Niet valt in te zien dat de verzuimcontroleur deze evident onjuiste datum niet zou mogen herstellen.

4.4. In het verzuimprotocol is neergelegd dat degene die het niet eens is met de arbeidsgeschiktheidsverklaring door de bedrijfsarts binnen zeven dagen een ‘second opinion’ dient aan te vragen. Vaststaat dat appellant na de keuring op 28 mei 2009 in ieder geval op 5 juni 2009 bekend was met het verzuimprotocol en dus ook met de termijn waarbinnen hij een second opinion moest aanvragen. Ook staat vast dat hij pas op 1 juli 2009 heeft verzocht om een second opinion. Dit betekent dat de termijn waarbinnen appellant een second opinion had moeten aanvragen ruimschoots is overschreden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is geweest binnen zeven dagen na 5 juni 2009 een second opinion aan te vragen. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant geen rechten aan het verzuimprotocol kan ontlenen.

4.5. Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen heeft appellant in strijd met de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting onvoldoende gebruik gemaakt van een door het college aangeboden voorziening en kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was dan ook gehouden met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant te verlagen. De hoogte van de verlaging is in overeenstemming met de Afstemmingsverordening bepaald op € 400,--. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellant binnen een jaar na het in 1.2 vermelde besluit van 1 oktober 2008 zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een maatregelwaardige gedraging. De omstandigheid dat appellant schulden heeft gemaakt, vormt geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het college aanleiding hadden moeten geven om de verlaging lager vast te stellen.

4.6. Gelet op 4.1 tot en met 4.5 treffen de in 3 verwoorde beroepsgronden geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.

HD