Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
10-6599 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om bijstand naar de norm voor gehuwden dan wel om de toeslag op haar bijstandsuitkering te verhogen.

Omdat de echtgenoot van appellante geen verblijfstitel heeft kan hij geen aanspraak maken op bijstand. Het verstrekken van bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm leidt niet tot een inbreuk op haar gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. In het geval van appellante is overigens gebleken dat haar kinderen financieel bijspringen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6599 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 oktober 2010, 10/2714 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

Datum uitspraak: 28 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 09/4622 WWB en 10/6600 WWB plaatsgevonden op 6 december 2011. Voor appellante is verschenen mr. J. Klaas, kantoorgenoot van mr. Kruseman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.G. van der Eijk. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is met haar echtgenoot en kinderen in 1997 vanuit Afghanistan naar Nederland gekomen. Appellante en haar kinderen hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit, maar de echtgenoot van appellante heeft geen verblijfstitel. Appellante ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%.

1.2. Op 19 januari 2010 heeft appellante verzocht om bijstand naar de norm voor gehuwden dan wel om de toeslag op haar bijstandsuitkering te verhogen.

1.3. Bij besluit van 29 januari 2010, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 25 mei 2010, heeft het college de verzoeken van appellante afgewezen. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat, omdat de echtgenoot van appellante geen aanspraak kan maken op bijstand, er geen aanleiding is bijstand naar de norm voor gehuwden te verlenen. Verder is het college van oordeel dat appellante gelet op de bepalingen van de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand (Verordening) terecht een toeslag ontvangt van 10%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 mei 2010 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen deze uitspraak gekeerd. Het gezin van appellante leeft onder het in Nederland aanvaarde maatschappelijk minimum. Van appellante kan en mag niet worden verlangd dat zij haar echtgenoot de deur wijst. De Staat erkent niet dat appellante ook haar echtgenoot moet verzorgen van haar uitkering. Dit levert strijd op met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. In artikel 18, eerste lid, van de WWB is bepaald dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

4.1.2. In artikel 24 van de WWB is bepaald dat indien één van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk is aan de norm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

4.1.3. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WWB verhoogt het college de norm van de uitkering met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Deze toeslag bedraagt maximaal 20% van de gehuwdennorm.

4.1.4. De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WWB bedraagt blijkens artikel 3, tweede lid, van de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010 van de gemeente Purmerend, 10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft en die derhalve de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.

4.2. Appellante heeft recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Omdat de echtgenoot van appellante geen recht heeft op bijstand, verzet artikel 24 van de WWB zich tegen toekenning van bijstand naar de norm voor gehuwden. Voorts heeft het college naar het oordeel van de Raad overeenkomstig de Verordening de toeslag van appellante op 10% gehandhaafd. Dit wordt ook niet door appellante betwist. Appellante stelt dat het niet verhogen van haar bijstandsuitkering een inbreuk vormt op de uitoefening van haar gezinsleven. De Raad overweegt daaromtrent het volgende.

4.3. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776, heeft overwogen, merkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor de menselijke waardigheid en menselijke vrijheid aan als de “very essence” van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Indien sprake is van omstandigheden die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het gezins- en privéleven onmogelijk wordt gemaakt (EHRM 3 mei 2001, Domenech versus Spanje, nr. 55996/00) kan er sprake zijn van een zodanige aantasting van de “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat er een positieve verplichting op de staat berust de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van het EVRM opgenomen waarborg. Daarbij is van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt.

4.4. De Raad is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het verstrekken aan appellante van bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm leidt tot een inbreuk op haar gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. De Raad hecht bij dat oordeel waarde aan de extra ruime “margin of appreciation”, die de Staat toekomt waar het gaat om de besteding van publieke middelen. Voorts zou inwilliging van het verzoek van appellante een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid betekenen. In het geval van appellante is overigens gebleken dat haar kinderen financieel bijspringen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

4.5. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J. de Jong.

HD