Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7124

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
10-6600 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Het college was gehouden de aanvraag van appellant af te wijzen, omdat appellant niet behoorde tot de kring der gerechtigden op grond van de WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6600 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 oktober 2010, 10/2715 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

Datum uitspraak: 28 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 10/6599 WWB en 09/4622 WWB, plaatsgevonden op 6 december 2011. Voor appellant is verschenen mr. J. Klaas, kantoorgenoot van mr. Kruseman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.G. van der Eijk. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met zijn echtgenote en kinderen in 1997 vanuit Afghanistan naar Nederland gekomen. Zijn echtgenote en kinderen hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit. Appellant heeft geen verblijfstitel en is ongewenst verklaard. Appellant is in Afghanistan politiek actief geweest in verband waarmee de Nederlandse Staat hem verdenkt van oorlogsmisdaden en daarom van oordeel is dat de bepalingen van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen niet op hem van toepassing zijn. De uitkering die appellant ontving op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) is om die reden met ingang van mei 2009 stopgezet.

1.2. Op 30 november 2009 heeft appellant een aanvraag om bijstand gedaan.

1.3. Bij besluit van 3 december 2009, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 25 mei 2010, heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant geen rechthebbende is in de zin van de Wet werk en bijstand (WWB), terwijl hem gelet op het koppelingsbeginsel van artikel 16, tweede lid, van de WWB evenmin uit hoofde van zeer dringende redenen bijstand zou kunnen worden verleend. Het college is van oordeel dat het niet verlenen van bijstand aan appellant niet leidt tot schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 25 mei 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, samengevat, aangevoerd dat het koppelingsbeginsel van artikel 16, tweede lid, van de WWB in een geval als dat van appellant geen enkel redelijk doel dient. Weigering van bijstand aan appellant leidt tot schending van artikel 8 van het EVRM.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat niet in geding is dat appellant geen vreemdeling is in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt appellant onder het toepassingsbereik van artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden verleend.

4.2. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776, heeft overwogen, merkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor de menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als de “very essence” van het EVRM aan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Indien sprake is van omstandigheden die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het gezins- en privéleven onmogelijk wordt gemaakt (EHRM 3 mei 2001, Domenech versus Spanje, nr. 55996/00) kan er sprake zijn van een zodanige aantasting van de “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat er een positieve verplichting op de staat berust de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van het EVRM opgenomen waarborg. Daarbij is van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen (EHRM 27 mei 2008, N. versus het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05).

4.3. In rechtsoverweging 4.7 van zijn uitspraak van 19 april 2010 LJN BM1992 heeft de Raad geoordeeld, dat indien sprake is van een positieve verplichting als bedoeld in 4.3 niettemin de beperkte doelstelling van de WWB in acht dient te worden genomen. De wetgever heeft de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule gebracht. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan de Raad thans tot geen andere conclusie komen dan dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in

artikel 16, tweede lid, van de WWB niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Indien er ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van de wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. De Raad wijst in dit verband opnieuw op de uitleg die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 28 maart 2007, LJN BA4652, heeft gegeven aan artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wet COA. Op grond van deze uitleg heeft het COA de publiekrechtelijke bevoegdheid - en gehoudenheid - om in zeer bijzondere omstandigheden verstrekkingen te verlenen buiten de gevallen waarin de vreemdeling onder de reikwijdte van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) valt. Gegeven deze bevoegdheid, verdragsconform uitgelegd, is het aan het COA om voor de Staat een eventuele positieve verplichting als hier bedoeld na te komen. Voorts wijst de Raad op zijn uitspraken van 19 april 2010, LJN BM0956, en 9 november 2011, BU4375, waarin is geoordeeld dat indien ten aanzien van kwetsbare personen die gezien artikel 8 EVRM in het bijzonder recht op bescherming hebben, is komen vast te staan dat zij niet in aanmerking komen voor een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, van de Rva 2005, onder bepaalde omstandigheden niet voorbij gaan aan artikel 11 van de Vreemdelingenwet opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning dient te worden geboden. De Raad is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat het college gehouden was de aanvraag van appellant af te wijzen, omdat appellant niet behoorde tot de kring der gerechtigden op grond van de WWB.

4.4. Het voorgaande brengt mee dat de Raad, anders dan voorheen, doch in overeenstemming met zijn uitspraken van 9 november 2011, LJN BU4382 en 22 november 2011, LJN BU6844 de vraag of appellant is aan te merken als kwetsbare persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, in het kader van de WWB in het midden kan en zal laten.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J. de Jong.

HD