Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7110

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
09-5401 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blokkering bijstand. Ten tijde van het nemen van het besluit tot blokkering kon op grond van de toen beschikbare resultaten van het onderzoek van de sociale recherche een gegrond vermoeden bestaan dat appellanten niet hebben voldaan aan de verplichting juiste en volledige inlichtingen te verstrekken over hun vermogen. Het College was bevoegd de bijstand te blokkeren. Intrekking bijstand over de periode 1 en terugvordering. Appellanten beschikken over een vermogen dat de voor appellanten toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen te boven gaat. De beschikbare gegevens bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant zich de feitelijke beschikkingsmacht over de Audi heeft verschaft en deze op zodanige wijze heeft uitgeoefend dat hij naar verkeersopvattingen als bezitter moet worden beschouwd, zodat deze auto tot zijn vermogen, en dus tot dat van appellanten, dient te worden gerekend. Intrekking bijstand over periode 2. Het College heeft op goede gronden om de bankafschriften en het overzicht van de openstaande hypotheekschuld verzocht. Nu appellanten de betreffende gegevens niet op tijd hebben verstrekt, hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Niet kan worden vastgesteld of appellanten gedurende de hier te beoordelen periode recht hadden op bijstand. Terugvordering van kosten van het conservatoir beslag. De terugvordering is niet gebaseerd op de bepalingen in de WWB, maar op bepalingen in Rv. De brief is geen besluit. De bezwaren van appellanten tegen die brief zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. Terugvordering van de kosten van het executoriaal beslag. Appellanten hebben het teruggevorderde bedrag niet binnen de gestelde termijn betaald. Dat betekent dat het College bevoegd is om de vordering te verhogen met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Het College heeft in overeenstemming gehandeld met de Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking en terug- en invordering van bijstand.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 32
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/51
RSV 2012/108
ABkort 2012/97
USZ 2012/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5401 WWB

09/5402 WWB

09/5428 WWB

09/5429 WWB

09/5448 WWB

09/5449 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 17 augustus 2009, 08/1186 (hierna: aangevallen uitspraak 1), van

8 september 2009, 09/211 (hierna: aangevallen uitspraak 2 en van eveneens 8 september 2009, 09/416 (hierna: aangevallen uitspraak 3)

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroepen ingesteld. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 is geregistreerd onder nrs. 09/5401 en 09/5402, dat tegen aangevallen uitspraak 2 onder nrs. 09/5428 en 09/5429 en dat tegen aangevallen uitspraak 3 onder nrs. 09/5448 en 09/5449.

Nadien heeft mr. R. van Asperen zich als gemachtigde van appellanten gesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2011. Voor appellanten is verschenen hun zoon

[naam zoon], bijgestaan door mr. Van Asperen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Assmann, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sedert 1993 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellanten hebben één meerderjarige zoon en twee meerderjarige dochters die bij hen inwonen. De drie kinderen ontvingen ieder een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

1.2. Ten aanzien van de zaak met reg. nrs. 09/5401 en 09/5402.

1.2.1. Naar aanleiding van een bij het College gerezen vermoeden dat appellanten in het bezit zijn van een dure personenauto heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader zijn appellant op

1 en 2 oktober 2008 en appellante op 1 oktober 2008 als verdachte verhoord.

1.2.2. Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 1 oktober 2008 geblokkeerd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat op basis van de processen-verbaal van het verhoor van appellanten op 1 en 2 oktober 2008 het gegronde vermoeden bestaat dat appellanten niet langer recht op bijstand hebben of dat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen.

1.2.3. Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft het College de bijstand van appellanten over de periode van 15 maart 2006 tot

1 oktober 2008 ingetrokken en de kosten van de over die periode aan appellanten verleende bijstand tot een bedrag van

€ 35.621,43 van hen teruggevorderd. De kosten van bijstand over de periode van 15 maart 2006 tot en met

31 december 2007 worden bruto teruggevorderd en de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2008 tot

1 oktober 2008 worden netto teruggevorderd. Aan de intrekking heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten, zonder daarvan bij het College melding te hebben gemaakt, beschikken over een vermogen dat de voor appellanten toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen te boven gaat. Het College heeft daarbij een personenauto van het merk Audi, type A4, bouwjaar 2006, met kenteken [kenteken] (hierna: de Audi) tot het vermogen van appellanten gerekend.

1.2.4. Bij besluit van 15 december 2008, voor zover hier van belang, heeft het College de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 22 oktober 2008 en 31 oktober 2008 ongegrond verklaard.

1.2.5. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft het College het beroep van appellanten tegen het besluit van 15 december 2008 ongegrond verklaard.

1.3. Ten aanzien van de zaak met reg. nrs. 09/5428 en 09/5429.

1.3.1. Bij brief van 31 oktober 2008 heeft het College appellanten verzocht om ter beoordeling van hun recht op bijstand per

1 oktober 2008 vóór 12 november 2008 onder meer de afschriften van al hun giro-, bank- en spaarrekeningen vanaf januari 2006 alsmede een overzicht van de openstaande hypotheekschuld op of rond 1 oktober 2008 te verstrekken. Het College heeft de termijn om deze gegevens te verstrekken diverse malen verlengd. Bij brief van 27 november 2008 heeft het College appellanten uitgelegd waarom de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het recht op bijstand per

1 oktober 2008 nodig zijn en meegedeeld dat die gegevens vóór 2 december 2008 moeten worden verstrekt.

1.3.2. Bij besluit van 2 december 2008 heeft het College met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellanten met ingang van 1 oktober 2008 ingetrokken.

1.3.3. Bij besluit van 24 februari 2009, voor zover hier van belang, heeft het College de intrekking met ingang van 1 oktober 2008 gehandhaafd met dien verstande dat daaraan artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ten grondslag is gelegd. Volgens het College hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat niet meer kan worden vastgesteld of zij met ingang van 1 oktober 2008 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren.

1.3.4. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 24 februari 2009 ongegrond verklaard.

1.4. Ten aanzien van de zaak met reg. nrs. 09/5448 en 09/5449.

1.4.1. Op 24 september 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen op verzoek van de gemeente Hoogezand-Sappemeer verlof verleend tot het doen leggen van conservatoir beslag met gerechtelijke bewaargeving van de Audi ten laste van appellanten. Op 1 oktober 2008 heeft de deurwaarder op de Audi conservatoir beslag gelegd.

1.4.2. Op 4 november 2008 is een afschrift van het onder 1.2.3 genoemde besluit van 31 oktober 2008 aan appellanten betekend met een aanzegging tot betaling van het teruggevorderde bedrag binnen veertien dagen. Deze termijn is nadien tot 12 december 2008 verlengd. Bij brief van 15 december 2008 zijn appellanten in gebreke gesteld voor het bij het besluit van 31 oktober 2008 teruggevorderde bedrag, verhoogd met de kosten van het executoriale beslag. Op 8 januari 2009 is aan appellant de executieverkoop van de Audi op 16 januari 2009 aangezegd. Op 14 januari 2009 heeft appellant € 25.000,-- en op 15 januari 2009 € 14.000,-- aan het College betaald waarna het beslag op de Audi is opgeheven.

1.4.3. Bij brief van 18 februari 2009 heeft het College appellanten meegedeeld dat de kosten in verband met het op de Audi gelegde conservatoir beslag € 2.727,88 bedragen en dat die kosten met toepassing van artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van appellanten wordt teruggevorderd.

1.4.4. Bij besluit van 18 februari 2009 heeft het College appellanten meegedeeld dat zij op grond van het besluit van

31 oktober 2008 een bedrag aan ten onrechte verstrekte bijstand van € 36.615,-- verschuldigd zijn. Voorts is meegedeeld dat appellanten de kosten die verband houden met de executie (een bedrag van € 2.718,03) verschuldigd zijn. Het totaal door appellanten verschuldigde bedrag bedraagt € 39.333,03. Na aftrek van het reeds door appellant betaalde bedrag van

€ 39.000,-- dienen appellanten nog € 333,03 te betalen.

1.4.5. Bij besluit van 6 april 2009 heeft het College de bezwaren van appellanten tegen de onder 1.4.3 genoemde brief van 18 februari 2009 niet-ontvankelijk verklaard omdat die brief geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt en daarom geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het onder 1.4.4 genoemde besluit van 18 februari 2009 ongegrond verklaard.

1.4.6. Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 6 april 2009 ongegrond verklaard.

2. Appellanten hebben zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Tevens hebben zij verzocht om een veroordeling tot schadevergoeding.

3. De Raad komt in de zaak geregistreerd onder nrs. 09/5401 en 09/5402 tot de volgende beoordeling.

3.1. De blokkering

3.1.1. Appellanten betwisten het oordeel van de rechtbank dat het College op goede gronden heeft besloten de bijstand met ingang van 1 oktober 2008 te blokkeren.

3.1.2. Of het blokkeren van bijstand geoorloofd is, hangt volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 augustus 2011, LJN BR4929) af van het antwoord op de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans ten minste het gegronde vermoeden kan hebben, dat een betrokkene geen recht (meer) heeft op een (volledige) bijstandsuitkering. Als regel zal daartoe aanleiding bestaan als uit onderzoek gegevens bekend worden die erop wijzen dat een betrokkene zijn wettelijke inlichtingenverplichting niet of niet volledig is nagekomen, maar nog onvoldoende grondslag bestaat om alvast tot herziening of intrekking van de bijstand over te gaan.

3.1.3. Anders dan appellant en met de rechtbank is de Raad van oordeel dat ten tijde van het nemen van het besluit tot blokkering van 22 oktober 2008 op grond van de toen beschikbare resultaten van het onderzoek van de sociale recherche, in het bijzonder de door appellanten op 1 en 2 oktober 2008 afgelegde verklaringen, een gegrond vermoeden kon bestaan dat appellanten niet hebben voldaan aan de verplichting juiste en volledige inlichtingen te verstrekken over hun vermogen. Uit die verklaringen blijkt onder meer dat appellant voor de bankrekeningen van zijn dochters is gemachtigd, dat hij als enige in een auto rijdt die in 2006 een nieuwwaarde van € 88.000,-- had, dat de dochter van appellanten op wier naam de Audi stond niet over een rijbewijs beschikt, dat appellant bij zijn aanhouding op 1 oktober 2008 een bedrag van € 6.450,-- op zak had en dat in de woning van appellanten meer dan € 10.000,-- in contanten aanwezig was. Deze gegevens waren niet eerder bij het College bekend. Gelet hierop was het College, in afwachting van nader onderzoek en nadere besluitvorming over het recht op bijstand van appellanten, bevoegd de bijstand per 1 oktober 2008 te blokkeren. Appellant heeft de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

3.2. De intrekking over de periode van 15 maart 2006 tot 1 oktober 2008 en de daarmee verband houdende terugvordering

3.2.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de Audi van 15 maart 2006 tot 1 oktober 2008 tot het vermogen van appellanten moet worden gerekend.

3.2.2. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

3.2.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad mag voor de toepassing van de WWB in het geval het kenteken van een auto op naam van een betrokkene staat geregistreerd, behoudens toereikend tegenbewijs, worden aangenomen dat die auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Aangezien vaststaat dat de Audi gedurende de hier te beoordelen periode niet op naam van appellant of appellante stond geregistreerd, maar op naam van de bij appellanten inwonende dochter [naam dochter] (hierna: [T.]), is de vraag aan de orde of uit de overige beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat de Audi tot het vermogen van appellanten moet worden gerekend.

3.2.4. Uit de gedingstukken blijkt dat de Audi op 19 januari 2006 is aangekocht voor € 87.625,01 en dat in verband met de inruil van een andere auto een bedrag van € 69.875,01 moest worden betaald. Het koopcontract staat op naam van en is ondertekend door [T.]. [T.] betaalt de motorrijtuigenbelasting alsmede de kosten van de beveiliging en de verzekering van de Audi. De verzekering van de Audi staat op haar naam. Uit deze gegevens kan op zichzelf niet worden afgeleid dat de Audi tot het vermogen van appellanten moet worden gerekend. Niettemin bieden de overige beschikbare gegevens voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant zich de feitelijke beschikkingsmacht over de Audi heeft verschaft en op zodanige wijze heeft uitgeoefend dat hij naar verkeersopvattingen als bezitter moet worden beschouwd, zodat deze auto tot zijn vermogen, en dus tot dat van appellanten, dient te worden gerekend. Daarbij is het volgende van belang.

3.2.5. In de eerste plaats heeft appellant een belangrijke rol gespeeld bij de aankoop van de Audi. De Raad leidt uit de verklaringen die appellanten op 1 en 2 oktober 2008 hebben afgelegd af dat het initiatief om een nieuwe auto te kopen is uitgegaan van appellant, dat het hele gezin naar de autodealer is gegaan om auto’s te bekijken, dat appellant toen een proefrit heeft gemaakt, dat thuis folders zijn bekeken en dat vervolgens gezamenlijk is besloten de Audi met geld van de kinderen aan te schaffen. Appellant heeft samen met zijn zoon de onderhandelingen over de aankoop van de Audi gevoerd, de Audi opgehaald en contant betaald. Appellant heeft € 55.000,-- betaald, de zoon het resterende bedrag van € 15.000,--. Appellant had het door hem betaalde bedrag van te voren opgenomen van de bankrekeningen van zijn dochters.

3.2.6. De Raad neemt verder in aanmerking dat appellant feitelijk van de Audi gebruik heeft gemaakt en dat van feitelijk medegebruik door anderen dan appellant niet is gebleken. Uit de verklaringen van appellanten blijkt dat uitsluitend appellant de auto bestuurde en dat het niet vaak voorkwam dat de dochters of appellante met hem meereden. De zoon reed wel vaker met appellant in de Audi mee. De dochters beschikten niet over een rijbewijs en de zoon had een eigen auto. Uit de gedingstukken blijkt verder dat bij het afsluiten van de verzekering voor de Audi is opgegeven dat appellant de regelmatige bestuurder van de auto is. Voorts betaalde appellant de benzine en de kosten van onderhoud van de Audi.

3.2.7. Voorts is van belang dat appellant grote bemoeienis had met de financiën van het gezin, met name met die van de dochters. Appellante heeft verklaard dat zij geen huishoudgeld krijgt, geen portemonnee heeft en dat haar man alle geldzaken regelt.

Appellanten hebben beiden verklaard dat appellant de financiën van zijn dochters regelt en dat hij voor de bankrekeningen van zijn dochters is gemachtigd. Verder heeft appellant blijkens zijn eigen verklaring [T.] geholpen bij het invullen van het aanvraagformulier van de autoverzekering en de beveiliging van de Audi geregeld.

3.2.8. Ten slotte neemt de Raad de geestelijke toestand van de dochters in aanmerking. Appellant heeft daarover verklaard dat beide dochters lijden aan schizofrenie, een psychose hebben gehad, last hebben van waanideeën en de werkelijkheid niet zien en dat zij daarvoor onder behandeling zijn. Verder heeft appellant verklaard dat beide dochters intensieve verzorging behoeven en moeten worden aangestuurd. Appellanten hebben beiden verklaard dat de dochters vanwege hun geestelijke gesteldheid niet kunnen autorijden. De Raad merkt in dit verband op dat de kantonrechter van de rechtbank bij beschikking van 18 november 2008 een bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan de dochters en een mentorschap over de dochters heeft ingesteld. Volgens de kantonrechter waren de dochters als gevolg van hun geestelijke toestand duurzaam niet in staat of werden zij bemoeilijkt hun belangen van zowel vermogensrechtelijke als niet vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen. De kantonrechter heeft een professionele derde tot bewindvoerder en mentor benoemd omdat appellanten niet de meest geschikte personen worden geacht deze functies in het belang van de dochters uit te oefenen.

3.3. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1.1 tot en met 3.2.8 is overwogen treft het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 geen doel, zodat deze voor bevestiging in aanmerking komt. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

4. De zaak geregistreerd onder nrs. 09/5428 en 09/5429 tot de volgende beoordeling

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Dat betekent dat ter beoordeling voorligt de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken (1 oktober 2008) tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit (2 december 2008).

4.2. De Raad stelt vast dat het College in de brief van 31 oktober 2008 niet heeft gevraagd om gegevens te verstrekken die betrekking hebben op de kinderen van appellanten. De beroepsgrond van appellanten dat het College dat ten onrechte wel heeft gedaan treft dan ook wegens het ontbreken van een feitelijke grondslag geen doel.

4.3. De Raad is voorts van oordeel dat het College, gelet op artikel 53a, tweede lid, van de WWB, bij de brief van 31 oktober 2008 op goede gronden om de bankafschriften vanaf 1 januari 2006 en het overzicht van de openstaande hypotheekschuld op of rond 1 oktober 2008 heeft verzocht. Anders dan appellanten hebben aangevoerd zijn deze gegevens noodzakelijk om inzicht te krijgen in de financiële situatie van appellanten vanaf 1 oktober 2008 en daarmee ook voor de beoordeling van hun recht op bijstand vanaf die datum. De Raad neemt voor wat betreft de bankafschriften daarbij in aanmerking dat appellanten niet bij het College hebben gemeld dat zij een girorekening bij de Postbank en een bankrekening bij de SNS bank hadden, het College daarvan eerst eind oktober 2008 op de hoogte is geraakt en dat toen bleek dat in oktober 2001 contante bedragen op die rekeningen werden gestort. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat bij appellant bij zijn aanhouding op

1 oktober 2008 een bedrag van € 6.450,-- is aangetroffen en dat er in de woning van appellant meer dan € 10.000,-- in contanten aanwezig was. De Raad wijst er voorts op dat appellant tot 1 oktober 2008 feitelijk de beschikkingsmacht had over de Audi die op 19 januari 2006 is aangekocht voor € 87.625,01.

4.4. Nu appellanten de betreffende gegevens niet vóór 2 december 2008 hebben verstrekt, hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. De gevraagde gegevens zijn ook nadien niet verstrekt. Gemachtigde van appellanten heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat appellanten de bankafschriften om hen moverende redenen niet wensen over te leggen. Gelet daarop is de Raad van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of appellanten gedurende de hier te beoordelen periode recht hadden op bijstand. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellanten met ingang van 1 oktober 2008 in te trekken. De wijze waarop het College van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt is niet bestreden.

4.5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen betekent dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 geen doel treft, zodat deze voor bevestiging in aanmerking komt. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. De Raad komt in de zaak geregistreerd onder nrs. 09/5448 en 09/5449 tot de volgende beoordeling.

5.1. De terugvordering van kosten van het conservatoir beslag

5.1.1. Appellanten hebben aangevoerd dat de kosten van het conservatoir beslag voor rekening van de gemeente dienen te blijven. Volgens appellanten is het gelegde conservatoir beslag onrechtmatig. Als reden voor het beslag is vrees voor verduistering van de Audi aangevoerd, terwijl er geen enkele aanleiding bestond te veronderstellen dat de Audi buiten de macht van het gezin zou worden gebracht. Appellanten hebben slechts gesteld dat de Audi niet van hen was, maar van hun meerderjarige kinderen. Voorts heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen appellanten en hun meerderjarige kinderen niet gehoord voordat hij verlof verleende voor het doen leggen van het conservatoir beslag met gerechtelijke bewaargeving van de Audi. Mocht ten onrechte de bestuursrechtelijke weg zijn gevolgd dan wordt de Raad verzocht de vordering naar de civiele rechter te verwijzen.

5.1.2. De Raad stelt voorop dat hij in zijn uitspraak van 26 april 2005, LJN AT5295, heeft geoordeeld dat de kosten van een conservatoir beslag die zijn gemaakt voordat het besluit tot terugvordering van kosten van bijstand is genomen, niet op grond van de Algemene bijstandswet, maar met toepassing van artikel 706 Rv van de betrokkene kunnen worden teruggevorderd. Er is geen aanleiding hierover in het kader van de toepassing van de WWB, zoals die gold ten tijde hier van belang, anders te oordelen.

5.1.3. De in de onder 1.4.3 genoemde brief van 18 februari 2009 genoemde kosten zien op het door het College gelegde conservatoir beslag. Gelet op hetgeen onder 5.1.2 is overwogen is de terugvordering van die kosten niet gebaseerd op de bepalingen in de WWB, maar op bepalingen in Rv. In de brief van 18 februari 2009 is artikel 706 Rv expliciet als grondslag van de terugvordering vermeld. De Raad is van oordeel dat de brief van 18 februari 2009 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Die brief houdt immers niet een publiekrechtelijke rechtshandeling in, maar betreft een privaatrechtelijke aangelegenheid. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College de bezwaren van appellanten tegen die brief terecht op die grond niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad gaat dan ook voorbij aan hetgeen appellanten in hoger beroep tegen de terugvordering van de kosten van het conservatoir beslag hebben aangevoerd. De Raad ziet voorts geen grond te voldoen aan het verzoek van appellanten ‘de vordering naar de civiele rechter te verwijzen’. De wet biedt daarvoor geen ruimte.

5.2. De terugvordering van de kosten van het executoriaal beslag

5.2.1. Gelet op de toelichting van gemachtigde van het College ter zitting begrijpt de Raad het besluit van 18 februari 2009 aldus dat het College daarbij het bij het besluit van 31 oktober 2010 netto teruggevorderde bedrag heeft gebruteerd en de vordering met het bedrag van de brutering (€ 993,57) heeft verhoogd. Daarnaast heeft het College de vordering verhoogd met de kosten die verband houden met de invordering van het bij het besluit van 31 oktober 2010 teruggevorderde bedrag. Het gaat om een bedrag van € 2.718,03. Verder heeft het College appellanten meegedeeld dat de totale vordering

€ 39.333,03 bedraagt en dat na aftrek van het reeds door appellanten betaalde bedrag van € 39.000,-- appellanten nog

€ 333,03 dienen te betalen.

5.2.2. Tussen partijen is uitsluitend de terugvordering van de kosten die verband houden met de invordering van het bij het besluit van 31 oktober 2010 teruggevorderde bedrag in geschil. Appellanten hebben aangevoerd dat de kosten van het executoriale beslag voor rekening van de gemeente dienen te blijven. Volgens appellanten is het gelegde executoriale beslag onrechtmatig. Onderzocht had moeten worden of appellanten op andere wijze dan door gedwongen verkoop van de Audi het bij het besluit van 31 oktober 2001 van hen teruggevorderde bedrag wilden en konden terugbetalen.

5.2.3. In artikel 58, vierde lid, voor zover hier van belang, is bepaald dat bij gebreke van tijdige betaling de vordering kan worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende de kosten. De Raad stelt, gelet op hetgeen onder 1.4.2 is overwogen vast dat appellanten het bij het besluit van 31 oktober 2010 teruggevorderde bedrag niet binnen de gestelde termijn hebben betaald. Dat betekent dat het College bevoegd is om de vordering te verhogen met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Appellanten hebben de vaststelling van de omvang van de op de terugvordering betrekking hebbende kosten niet bestreden. Het College voert blijkens artikel 11, tweede lid, van de Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking en terug- en invordering van bijstand het beleid dat indien de belanghebbende een opgelegde betalingsverplichting niet nakomt invorderingskosten steeds in rekening worden gebracht bij de belanghebbende. De Raad stelt vast dat het College in overeenstemming heeft gehandeld met deze beleidsregel. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb op grond waarvan het College van deze beleidsregel had moeten afwijken.

5.3. Hetgeen onder 5.1.1 tot en met 5.2.3 is overwogen betekent dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3 geen doel treft. Deze uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken;

Wijst de verzoeken om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J. de Jong.

IJ