Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7058

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2012
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
09/2118 WWB + 11/3674 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Het college heeft het door de Raad in zijn tussenuitspraak (LJN BQ2507) geconstateerde gebrek bij zijn nieuwe beslissing op bezwaar hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2118 WWB

11/3674 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Limburg),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 maart 2009, 08/1313 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen (Limburg) (college)

Datum uitspraak: 21 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 12 april 2011 een tussenuitspraak,

LJN BQ2507, gedaan.

Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het college op 31 mei 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Namens appellante heeft mr. drs. A.M. van Engelen bij brief van 18 juli 2011 zijn zienswijze op dit besluit gegeven.

Desgevraagd heeft het college bij brief van 30 augustus 2011 een berekening van het nader terug te vorderen bedrag overgelegd.

Bij brief van 5 oktober 2011 heeft mr. drs. Van Engelen daarop gereageerd.

Bij brief van 2 november 2011 (met bijlagen) heeft het college de berekening van het nadere terugvorderingsbedrag verduidelijkt.

Na verleend uitstel heeft mr. drs. Van Engelen uiteindelijk bij brief van 12 januari 2012 bericht zich ten aanzien van de berekening te refereren aan het oordeel van de Raad.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Tevens heeft de Raad besloten de zaak te verwijzen naar de enkelvoudige kamer.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad heeft in zijn tussenuitspraak van 12 april 2011 overwogen dat het college de bijstand van appellante over de periode van 1 oktober 2000 tot 1 maart 2002 ten onrechte heeft ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode ten onrechte van appellante heeft teruggevorderd.

1.1. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met gegrondverklaring van het beroep van appellante, het besluit van 27 mei 2008 in zoverre vernietigen en het besluit van 10 december 2007 in zoverre herroepen.

2. Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak een nadere berekening gemaakt van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 maart 2002 tot en met 31 maart 2006. De kosten van bijstand over die periode zijn becijferd op € 68.848,75. Dit bedrag is voorts bij besluit van 31 mei 2011 van appellante teruggevorderd. De Raad ziet, gelet op bijgevoegde berekeningen, geen aanleiding dit bedrag voor onjuist te houden.

3. Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het college het door de Raad geconstateerde gebrek, dat kleefde aan het besluit van 27 mei 2008, bij zijn besluit van

31 mei 2011 heeft hersteld.

4. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 805,-- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor het indienen van de zienswijze), voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 2.093,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 mei 2008 voor zover dat ziet op de intrekking over de periode van 1 oktober 2000 tot 1 maart 2002 en voor zover dat ziet op de terugvordering in zijn geheel;

Herroept het besluit van 10 december 2007 voor zover dat ziet op de periode van 1 oktober 2000 tot 1 maart 2002;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 31 mei 2011 ongegrond;

Veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.093,--, waarvan te betalen aan de griffier van de Raad € 644,--;

Bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD