Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6872

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
27-02-2012
Zaaknummer
10-3848 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en beëindiging voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden. Terugvordering. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant in de in geding zijnde perioden zijn hoofdverblijf buiten de gemeente had, althans dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die de genoemde perioden zijn hoofdverblijf binnen de gemeente had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3848 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 mei 2010, 09/4143 (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (college)

Datum uitspraak: 22 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2011. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.M.A. Desain.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Aan appellant is door het college op grond van de bepalingen bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning een voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden toegekend voor de periode van 27 maart 2008 tot en met

25 maart 2009.

2.2. Bij besluit van 21 april 2009 heeft het college de aan appellant toegekende voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden voor de periode van 22 september 2008 tot en met 17 november 2008 ingetrokken, omdat appellant in die periode niet binnen de gemeente [naam gemeente] zou hebben gewoond. Bij dit besluit is de voorziening op dezelfde grond met ingang van 14 februari 2009 beëindigd. Ten slotte is bij het besluit van 21 april 2009 van appellant teruggevorderd een bedrag van € 1.592,50. Dit is het bedrag dat appellant over de perioden van 22 september 2008 tot en met

17 november 2008 en van 14 februari 2009 tot en met 26 maart 2009 aan persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden heeft ontvangen.

2.3. Het tegen het besluit van 21 april 2009 gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 oktober 2009 ongegrond verklaard, overeenkomstig het advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften van 5 oktober 2009.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 26 oktober 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant zich bij brief van 22 september 2008, om reden dat hij voor minimaal een jaar naar Suriname zou gaan, per direct heeft laten uitschrijven uit de gemeente [naam gemeente]. Appellant heeft zich echter op 18 november 2008 opnieuw laten inschrijven in die gemeente. Vanaf 14 februari 2009 huurt appellant een woning in [plaatsnaam 1] en staat hij in die gemeente staat ingeschreven. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college op grond van deze feiten in beginsel heeft mogen aannemen dat appellant zijn hoofdverblijf in de perioden van

22 september 2008 tot en met 17 november 2008 en van 14 februari 2009 tot en met 26 maart 2009 buiten de gemeente [naam gemeente] had. Naar het oordeel van de rechtbank is het vervolgens aan appellant om aannemelijk te maken dat de feitelijke situatie anders was. Appellant heeft echter niet met objectieve gegevens aangetoond dat hij in de betreffende perioden zijn hoofdverblijf had in de woning in [plaatsnaam 2] ([naam gemeente]). De enkele, niet nader onderbouwde stellingen van appellant dat zijn vertrek naar Suriname niet is doorgegaan en dat hij slechts in [plaatsnaam 1] stond ingeschreven, omdat hij vanwege zijn gezondheid af en toe alleen moest zijn, zijn in dat verband onvoldoende. Ook uit de door appellant gestelde omstandigheid dat het teruggevorderde pgb is besteed aan huishoudelijke hulp voor de woning in [plaatsnaam 2], waar de vrouw en kinderen van appellant zijn blijven wonen, blijkt niet dat ook appellant ten tijde van belang in die woning zijn hoofdverblijf had. De rechtbank is van oordeel dat het college zich gelet op het vorenstaande terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant in de betreffende perioden zijn hoofdverblijf buiten de gemeente [naam gemeente] had. Het college was dan ook bevoegd om de voorziening in te trekken en het verleende pgb van appellant terug te vorderen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.1. Appellant heeft zich in hoger beroep - evenals in bezwaar en beroep - op het standpunt gesteld dat hij zijn hoofdverblijf in de betreffende perioden niet heeft verplaatst, dat de voorziening voor huishoudelijke hulp ten onrechte is ingetrokken en dat het verleende pgb ten onrechte is teruggevorderd.

4.2. Bij uitspraak van 24 november 2010 heeft de Raad het hoger beroep vanwege het niet (tijdig) voldoen van het griffierecht niet-ontvankelijk verklaard.

5. Het door appellant tegen die uitspraak gedane verzet is bij uitspraak van de Raad van 31 maart 2011 gegrond verklaard. Als gevolg daarvan is de uitspraak van 24 november 2010 op het hoger beroep van appellant vervallen. Bij onderhavige uitspraak wordt opnieuw beslist op het hoger beroep.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

7. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank - en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen - dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant in de periode van 22 september 2008 tot en met

17 november 2008 en in de periode van 14 februari 2009 tot en met 26 maart 2009 zijn hoofdverblijf buiten de gemeente [naam gemeente] had, althans dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de genoemde perioden zijn hoofdverblijf binnen de gemeente [naam gemeente] had. De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat gelet daarop het college de voorziening voor de genoemde perioden heeft mogen intrekken en het voor die perioden verleende pgb heeft mogen terugvorderen.

8. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) P.J.M. Crombach.

EW