Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6866

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2012
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
11-4519 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling maandelijks terug te betalen bedrag in verband met een studieschuld. De wetgever heeft er blijkens de bepalingen en de ontstaansgeschiedenis van de Wsf 2000 nadrukkelijk niet voor gekozen dat bij het vaststellen van de draagkracht rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen of de hoogte van het individuele uitgavenpatroon van de debiteur. Hetgeen door appellante naar voren is gebracht bevat geen zeer bijzondere individuele omstandigheden die nopen tot het buiten toepassing laten van de wettelijke bepalingen. De Minister heeft derhalve in redelijkheid kunnen afzien van zijn bevoegdheid om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4519 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Curaçao (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juni 2011, 10/1430 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister).

Datum uitspraak: 24 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012. Appellante is niet verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 augustus 2010 heeft de Minister vastgesteld dat appellante vanaf 1 augustus 2010 maandelijks € 193,55 aan hem kan betalen in verband met een studieschuld.

1.2. Bij besluit van 22 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft de Minister zijn besluit van 6 augustus 2010 gehandhaafd. Het maandelijks door appellante aan de Minister over te maken bedrag is gebaseerd op het inkomen zoals bedoeld in artikel 10a.8 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat haar draagkracht, gelet op haar budget, te hoog is vastgesteld. Appellante heeft in dit verband verzocht om toepassing van de hardheidsclausule.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 10a.8, eerste lid, van de Wsf 2000 is de maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van appellante voor 2010 haar toetsingsinkomen in het jaar 2008.

4.2. Bij de aanvraag voor het verlagen van het maandbedrag voor inwoners van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft appellante een kopie van de loonbelastingkaart 2008 overgelegd. Daaruit blijkt dat het door haar genoten inkomen over dat jaar f. 62,538,72 bedroeg. De Minister heeft voornoemd bedrag herleid naar een bedrag van € 23.754,- op grond waarvan de draagkracht is vastgesteld op € 193,55.

De hoogte van het inkomen van appellante in 2008 noch de omrekening van dat bedrag in euro’s is tussen partijen in geschil.

4.3.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 27 augustus 2010, LJN BN5150, heeft de wetgever er blijkens de bepalingen en de ontstaansgeschiedenis van de Wsf 2000 nadrukkelijk niet voor gekozen dat bij het vaststellen van de draagkracht rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen of de hoogte van het individuele uitgavenpatroon van de debiteur.

4.3.2. Wat betreft het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule ziet de Raad in hetgeen door appellante naar voren is gebracht geen zeer bijzondere individuele omstandigheden die nopen tot het buiten toepassing laten van de wettelijke bepalingen. De Minister heeft derhalve in redelijkheid kunnen afzien van zijn bevoegdheid om toepassing te geven aan de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule.

4.4. Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.3.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

KR