Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6822

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2012
Datum publicatie
27-02-2012
Zaaknummer
10-7063 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv afgewezen. Het Uwv wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.000,-- wegens immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/7063 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2010, 10/260 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroep ingesteld. Voorts zijn nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Ook heeft het Uwv nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2012. Namens appellant is verschenen mr. Desloover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, was laatstelijk in Nederland werkzaam als tomatenplukker in de tuinbouwsector. Op 17 maart 1992 is appellant niet meer op zijn werk verschenen en is hij zonder toestemming naar Marokko op vakantie gegaan. Op 26 maart 1992 is appellant ontslagen. Op 30 april 1992 heeft appellant zich vanuit Marokko ziek gemeld met rugklachten, urinewegproblemen en psychische klachten.

1.2. Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 31 maart 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg.

1.3. Het bezwaar tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 7 juli 2004 (besluit 1) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 oktober 2005 het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar.

1.4. Het Uwv heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank vanaf december 2005 getracht appellant voor medisch onderzoek naar Nederland te laten komen. Appellant heeft hierop telkens gesteld niet reisvaardig te zijn en heeft verzocht om een onderzoek in Marokko.

1.5. Op 11 juni 2009 heeft het Uwv een medische rapportage uit Marokko ontvangen, waar appellant door een verzekeringsarts en een psychiater is onderzocht. Op basis van de bevindingen van deze artsen is de bezwaarverzekeringsarts tot de slotsom gekomen dat appellant niet te kort wordt gedaan als wordt aangenomen dat de psychische klachten die al in 1998 bij appellant aanwezig waren, eveneens bij appellant aanwezig waren per einde wachttijd in 1993. Hierop is een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige gevolgd.

1.6. Bij beslissing op bezwaar van 12 januari 2010 (besluit 2) heeft het Uwv onder verwijzing naar voormelde rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant moet in staat worden geacht zijn maatgevende arbeid als tomatenplukker te verrichten. Het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is afgewezen, op de grond dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan het Uwv is toe te rekenen. Daarbij is in aanmerking genomen dat het Uwv genoodzaakt was gegevens in Marokko op te vragen, aangezien appellant bij herhaling heeft gesteld niet reisvaardig te zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de medische grondslag van besluit 2 geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts. Rekening is gehouden met alle klachten van appellant en met alle aanvullende informatie die appellant in de beroepsfase heeft overgelegd. In aanmerking is genomen dat de bezwaarverzekeringsarts over voldoende informatie beschikte om tot een beoordeling te komen, een nieuw onderzoek in Marokko heeft plaatsgevonden, appellant geen verdere medische informatie heeft overgelegd waaruit volgt dat hij meer of anders beperkt moet worden geacht en niet is gebleken dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is geweest. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag zijn geen beroepsgronden aangevoerd. Wat betreft het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6 EVRM heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschreven zoals dat is neergelegd in besluit 2.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv zijn belastbaarheid niet juist heeft vastgesteld. Verder is wederom aangevoerd dat het Uwv de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM heeft overschreden. Volgens appellant kan van deze termijn worden afgetrokken de periode van december 2005 tot juni 2009, in totaal drie jaar en vijf maanden, voor zover de weigering van appellant om naar Nederland te komen daarbij een rol speelt. Appellant heeft in dit verband als schadevergoeding een bedrag van € 2.000,-- gevorderd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Met betrekking tot de beoordeling van het medisch en arbeidskundig onderzoek onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en maakt deze tot de zijne.

4.2. Met betrekking tot het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding door het Uwv van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overweegt de Raad het volgende.

4.3. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.4. Voor de wijze van beoordeling verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 16 april 2009, LJN BI3426, en 4 juni 2009, LJN BI8665. In die uitspraken heeft de Raad - kort gezegd - als zijn oordeel gegeven dat in een geval waarin een vernietiging door de Raad dan wel door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend, tenzij in de loop van de procedure één of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd. De Raad heeft daarbij overwogen dat de redelijke termijn ook in een dergelijk geval in beginsel vier jaar bedraagt, uitgaande van een half jaar in bezwaar, anderhalf jaar in beroep en twee jaar in hoger beroep.

4.5. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 11 november 2003 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van de aangevallen uitspraak zijn zeven jaar en twee maanden verstreken. Uit overweging 4.4 volgt dat ten tijde van de aangevallen uitspraak een termijn van twee jaar nog als redelijk is aan te merken. Uit overweging 3 volgt verder dat tussen partijen niet in geschil is dat van de duur van de procedure dient te worden afgetrokken een periode van drie jaar en vijf maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn op het moment van de aangevallen uitspraak met één jaar en negen maanden is overschreden. De procedures bij de rechtbank hebben beide minder dan anderhalf jaar geduurd, zodat de Raad vaststelt dat de totale overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van het Uwv komt. De Raad is van oordeel dat door het niet meewegen van de periode van december 2005 tot juni 2009 voldoende tegemoet is gekomen aan de stelling van het Uwv dat appellant heeft bijgedragen aan de lange duur van de procedure.

4.6. Uit het onder 4.3 tot en met 4.5 overwogene volgt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv heeft afgewezen. De Raad zal de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het Uwv veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000,-- wegens immateriële schadevergoeding.

5. De Raad acht termen aanwezig het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 437,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep, in totaal € 1.311,--, te betalen aan de griffier van de Raad. De Raad ziet geen aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar, nu van het herroepen van het primaire besluit als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb geen sprake is.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt besluit 2;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van € 2.000,--;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.311,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Wijst het verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten af;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H. Bolt en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2012.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) H.L. Schoor.

KR