Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6820

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2012
Datum publicatie
27-02-2012
Zaaknummer
10/6998 WSF + 10/6999 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op studiefinanciering. Het teveel ontvangen bedrag is een kortlopende schuld geworden. Tevens is een OV-schuld ontstaan. De Minister mag in bezwaar eventuele gebreken van een primair besluit herstellen. Appellante stond ingaande september 2008 niet meer ingeschreven bij een onderwijsinstelling. Zij had dus geen recht meer op studiefinanciering en kan dus over de maand augustus 2008 geen aanspraak maken op een overbruggingsuitkering. Appellante diende zich tot de onderwijsinstelling te wenden als zij het niet eens is met de datum van uitschrijving. Omzetting kortlopende schuld in een lening. Indien na beƫindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking een vordering ontstaat van de Minister, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Deze omzetting is een besluit. De Minister is bevoegd de kortlopende schuld om te zetten in een lening. Noch op de datum waarop de vordering wordt omgezet in een lening noch op de datum van mededeling daarvan was sprake van verrekenbare schulden omdat appellante toen geen studiefinanciering ontving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6998 WSF en 10/6999 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2010, 09/1461 en 10/42 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: Minister).

Datum uitspraak: 24 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr.drs. M.J.G. Schroeder, hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2012.

Appellante is verschenen bij gemachtigde, mr. Schroeder. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hostee.

II. OVERWEGINGEN

1.1. In deze uitspraak wordt onder Minister tevens verstaan de Informatie Beheer Groep.

1.2. Appellante heeft studiefinanciering ontvangen over het jaar 2008. Bij besluit van 6 juni 2009 heeft de Minister appellante meegedeeld dat zij vanaf augustus 2008 geen recht meer heeft op studiefinanciering omdat zij niet meer studeert. Het teveel ontvangen bedrag is een kortlopende schuld geworden. Tevens is een OV-schuld ontstaan. Bij besluit van 8 augustus 2009 is appellante meegedeeld dat de kortlopende schuld is omgezet in een lening.

1.3. De door appellante tegen deze besluiten ingediende bezwaren zijn bij besluiten van 18 september 2009 respectievelijk 27 november 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met betrekking tot het besluit van 18 september 2009 overwogen dat de Minister in bezwaar eventuele gebreken van een primair besluit mag herstellen. Voorts is overwogen dat de Minister mag afgaan op de informatie van de onderwijsinstelling omtrent de uitschrijving van een student. Appellante stond ingaande september 2008 niet meer ingeschreven bij een onderwijsinstelling. Zij had dus geen recht meer op studiefinanciering en kan dus over de maand augustus 2008 geen aanspraak maken op een overbruggingsuitkering. De Minister was dan ook bevoegd tot herziening van het besluit, waarbij aan appellante studiefinanciering en een OV-voorziening is toegekend. Met betrekking tot het besluit van 27 november 2009 heeft de rechtbank overwogen dat de Minister wel bevoegd was de kortlopende schuld om te zetten in een lening. Ten tijde van het nemen van dat besluit bestond immers geen recht op studiefinanciering.

3. Appellante heeft hiertegen ingebracht dat het besluit van 6 juni 2009 onjuist is, dat het bezwaar daartegen gegrond had moeten worden verklaard en dat zij dus recht heeft op een proceskostenvergoeding. Het is in strijd met de rechtszekerheid om de studiefinanciering met terugwerkende kracht te herzien, zij kan achteraf geen beroep meer doen op andere voorzieningen. Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat de door de Minister gedane mededeling van omzetting besluitkarakter ontbreekt en de Minister niet bevoegd was de kortlopende schuld om te zetten in een lening. Volgens haar was op 8 augustus 2009 geen sprake van niet meer verrekenbare schulden als bedoeld in artikel 6.19, tweede lid(oud, thans artikel 6.17, tweede lid), van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot het besluit van 18 september 2009 vormt in essentie een herhaling van hetgeen zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De Raad ziet geen reden anders over deze punten te oordelen dan de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan en sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.

4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de minimale wijziging van de motivering van het primaire besluit niet betekent dat het primaire besluit herroepen is als bedoeld in artikel 7.15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat er geen recht bestaat op een proceskostenvergoeding. De Raad verwijst hier naar zijn uitspraak van 17 november 2011 (LJN BU5619)

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de uitschrijving als student een zaak tussen de onderwijsinstelling en de student, in dit geval appellante. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 15 april 2005 en 12 januari 2007( LJN AT4068 en AZ6731). Appellante diende zich dus tot de onderwijsinstelling te wenden als zij het niet eens is met de datum van uitschrijving.

4.5. Met betrekking tot het besluit van 27 november 2009 overweegt de Raad als volgt.

Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt als volgt: Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 6.19, tweede lid (oud), van de Wsf 2000 wordt, indien na beƫindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking op grond van artikel 7.1 een vordering ontstaat van de Minister, die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Deze omzetting is een besluit; het is immers een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, die inhoudt een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het feit dat de vordering wordt omgezet in een lening met ingang van een bepaalde dag voortvloeit uit artikel 6.19, tweede lid, voormeld, maakt dit, gegeven de in die bepaling vervatte beslismomenten, ook al hebben deze in de regel een beperkte strekking, niet anders. Tegen een dergelijk besluit kan dus bezwaar en beroep worden ingesteld. De door appellante genoemde uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 14 januari 2011 (LJN BP0710) ziet niet op een besluit op grond van artikel 6.19 (oud) van de Wsf 2000.

De Raad ziet voorts niet dat de Minister niet bevoegd zou zijn de kortlopende schuld om te zetten in een lening. Noch op 1 juli 2009 (de datum waarop de vordering ingevolge artikel 6.19, tweede lid (oud), van de Wsf 2000 wordt omgezet in een lening) noch op 8 augustus 2009 (de datum van mededeling daarvan) was sprake van verrekenbare schulden omdat appellante toen geen studiefinanciering ontving. Zij is immers pas in februari 2010 weer studiefinanciering gaan ontvangen.

5.1. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) J.R. Baas.

IvR